De nieuwe wereld van Dvorák wordt honderd

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Claus Peter Flor m.m.v. Martha Argerich, piano. Programma: B. Bartók: Pianoconcert nr 3; A. Dvorák: Negende symfonie. Gehoord: 15/12 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 16/12; Dvorák in deels andere programma's: 17, 19/12. Radio-uitz.: 22/12 20.02 uur Avro Radio 4.

Voor derde keer in ruim anderhalf jaar speelt het Concertgebouworkest de Negende symfonie van Dvorák onder een andere dirigent. In mei vorig jaar liet Carlo Maria Giulini de Uit de nieuwe wereld-symfonie horen in prachtige en deels uitzonderlijk langzame tempi, die ook op een nog niet uitgekomen cd-opname werden vastgelegd. In augustus en september van dit jaar dirigeerde Riccardo Chailly het stuk opvallend geacheveerd in Amsterdam en tijdens een tournee door het Verre Oosten. Bij elkaar waren dat veertien uitvoeringen. Chailly had de symfonie al eerder in Amsterdam opgenomen.

Nu Claus Peter Flor de Nieuwe Wereld-symfonie dezer dagen nog vier keer dirigeert is daarvoor - naast de enorme populariteit van deze muziek - ook een objectieve reden: gisteren precies een eeuw geleden klonk de Negende van Dvorák voor het eerst, in Carnegie Hall in New York, toen als Vijfde symfonie. Bij het Concertgebouworkest denkt men overigens het stuk na deze jubileumserie enige tijd te laten rusten.

Wat Flor gisteren van deze Negende symfonie maakte kon niet in de schaduw staan van wat Giulini en Chailly aan bijzonders presteerden. Flor bracht een gewone, conventionele Dvorák, niets speciaals of het moest zijn dat het stuk soms erg hardhandig werd aangepakt en ook niet fantastisch werd gespeeld.

Soliste Martha Argerich had gedaan gekregen dat ze niet het geplande Tweede pianoconcert van Beethoven speelde, maar het Derde concert voor piano en orkest van Bartók. Zo kreeg het concert alsnog een thema: New York, waar Bartók het korte stuk schreef in zijn sterfjaar 1945.

Tussen soliste en orkest was het aanvankelijk een zoeken naar balans, waarbij de prominent aanwezige Argerich het meestal won van de frêle pizzicati in de begeleidingsfiguren. In het elegische en evocatieve Adagio religioso ging dat - mede dankzij de afwisseling van solistische en orkestrale passages - beter. Maar de uitvoering als geheel bleef een wat onwennig karakter houden. Nog vóór tien voor tien was het concert afgelopen. Dat Beethoven-concert had nog best gekund als toegift.