Agrarisch onderwijs in bloei

Afgestudeerden van het Hoger Agrarisch Onderwijs doen het goed op de arbeidsmarkt, ondanks de economische recessie. De verschillen met de Wageningse Landbouwuniversiteit worden allengs kleiner, blijkt uit onderzoek.

Afgestudeerden van het Hoger Agrarisch Onderwijs (HAO ) doen het prima op de arbeidsmarkt. Van degenen die tussen 1977 en 1991 afstudeerden, heeft 88 procent een betaalde functie, 6 procent studeert verder en maar 2 procent is op zoek naar werk. Dat blijkt uit een omvangrijk loopbaanonderzoek van de zes Agrarische Hogescholen, dat morgen wordt gepresenteerd. In totaal werden bijna 15.000 afgestudeerden aangeschreven, de respons op de enquête was 58 procent.

Na eerdere arbeidsmarktonderzoeken in 1982 en 1987 is dit het derde in een reeks. Omdat in dezelfde periode (1977-1991) een vergelijkbaar onderzoek aan de Landbouwuniversiteit werd gehouden, leveren de cijfers uniek vergelijkingsmateriaal op tussen academisch en hoger-beroepsniveau. Van de Wageningse ingenieurs heeft eveneens 88 procent een betaalde functie, maar hun werkloosheid is hoger (8 procent), terwijl maar 2 procent een nieuwe dagstudie is gaan volgen. Overigens zijn recent afgestudeerden wat vaker werkzoekend: 5 procent van de HAO-ers, 12 procent van de Wageningers en eveneens 12 procent van het overig HBO.

Kleinere verschillen

Alle afgestudeerden aan de Landbouwuniversiteit van de afgelopen vijf jaar volgden de opleiding nieuwe-stijl, met verkorte studieduur. 'Wat mij vooral opvalt is dat de positieverschillen tussen LU en HAO sindsdien zijn verminderd'', zegt dr.ir. L.M.W. Dellaert. Zij is voorzitter van het College van Bestuur van de Agrarische Hogeschool Delft en van de werkgroep arbeidsmarktonderzoek waarin de agrarische hogescholen samenwerken. 'Van de ondervraagde LU-ers vindt zo'n 60 procent dat iemand met een andere opleiding hen in hun functie zou kunnen vervangen en daarbij wordt vooral het HAO vaak genoemd. Dit in tegenstelling tot oudere enquêtes, waarin de Wageningers veel vaker meldden precies de juiste vooropleiding voor hun baan te hebben.'' Volgens Lidwine Dellaert speelt hierbij mogelijk een verdringingseffect mee, omdat onder Wageningers meer werkloosheid heerst, zodat zij vaker dan vroeger uitwijken naar een HAO-functie. 'Aan het verschil in aanvangssalaris kan het niet liggen'', zegt Dellaert. 'Dat wordt vooral door leeftijd bepaald en ligt voor beide groepen rond de drieduizend gulden bruto per maand. Wél lopen de Wageningers verder uit en hun civiele status is nog steeds hoger.''

Van de HAO-ers verdienden de respondenten in loondienst gemiddeld 4.367 gulden per maand, waarbij 10 procent minder dan 3.000 en 10 procent meer dan 6.000 gulden verdient. Zelfstandigen halen gemiddeld 5.132 gulden per maand, met een hogere spreiding: 10 procent van hen zit onder de 2.000 en 10 procent boven de 9.000 gulden. Van de LU-afgestudeerden van 1978/87 varieert het maandsalaris van 2.500 tot 16.000 gulden, waarbij 73 procent tussen de 4.100 en 8.333 gulden ontvangt. Van de afgestudeerden-nieuwe stijl (1989-1991) verdient 57 procent tussen de 2.500 en 4.100 gulden, 24 procent (vooral kleine zelfstandigen) verdienen minder en 18 procent meer. 'Een sterke overlap met de salarissen van HAO- ers'', concludeert Dellaert.

Doorstromers

Een HAO-student kost de staat in totaal 40.000 gulden, het opleiden van een Wageninger gemiddeld 90.000 gulden. Volgens Dellaert sluit het HAO beter aan op de arbeidsmarkt omdat het meer functiegericht is. Verplichte, veelal praktische vakken maken 60 tot 75 procent van het studieprogramma uit. Wageningse studenten hebben veel meer vrije keuzevakken, daarnaast maakt hun grotere wetenschappelijke nieuwsgierigheid en hun neiging ergens diep in te duiken hen wellicht wat minder breed inzetbaar dan de HAO-ers. Bovendien is sinds de verkorte studieduur bij veel Wageningse studierichtingen de verplichte praktijktijd geschrapt.

Op dit moment stroomt 17 procent van de HAO-ers na het behalen van het diploma door, meestal naar een tweejarige WO-opleiding. Wageningen, bedrijfskunde in Tilburg en economie zijn in trek. 'Sommigen zoeken meer theoretische diepgang, anderen voelen zich nog te jong om te gaan werken'', aldus Dellaert. 'Als je hier na de HAVO begint, kun je op je eenentwintigste afstuderen.'' Een verbod om studies te stapelen, zoals staatssecretaris Cohen (hoger onderwijs) wil, noemt ze 'idioot''. 'Ik vind dat de overheid zich daar niet mee moet bemoeien! Mensen moeten vrij zijn om te studeren en kennis te verwerven als ze dat willen. Je kunt ze toch niet verbieden om meer dan één diploma te halen! Wél kun je als overheid paal en perk stellen aan het aantal jaren dat iemand gesubsidieerd mag studeren, maar dat is een heel ander verhaal. Je zou je kunnen voorstellen dat studenten na vijf jaar studiefinanciering meer zelf moeten gaan bijdragen.''

Weinig deeltijdbanen

Een andere opvallende uitkomst van het loopbaanonderzoek is, dat er in de agrarische sector zeer weinig deeltijdbanen zijn. Slechts 1 procent van de afgestudeerden van de agrarische hogescholen werkt minder dan 20 uur per week, (tegen 24 procent in het overige HBO ) 9 procent werkt 20 tot 35 uur en de rest heeft een volledige baan. Van de mannen werkt 95 procent full time.

Frappant is ook, dat de vrouwen, hoewel ze volop aan het werk zijn, over de hele linie in salaris ongeveer tien procent achterblijven, minder vaak leiding geven (30 procent van de vrouwen, 42 procent van de mannen) en aan minder personen leiding geven. Het salarisverschil groeit met de jaren. 'Gemiddeld wisselen mensen in hun loopbaan eens per drie jaar van functie,'' aldus Dellaert. 'Vrouwen met kleine kinderen echter slaan wel eens een of twee promoties over en halen die carriére-achterstand niet meer in.'' Haar eigen achtkoppig management-team telt, nog steeds vrij uitzonderlijk, vier vrouwen, waarvan twee met een vierdaagse baan. 'Geen kwestie van positieve discriminatie, het waren echt de beste kandidaten die we konden krijgen.''

Intussen groeit het aandeel van de vrouwen in het hoger agrarisch onderwijs gestaag, van 13 procent van de lichting 1977-1981 naar 24 procent nu. 'Ons aandeel van 24 procent meisjes blijft laag vergeleken met de 44 procent aan de Landbouwuniversiteit'', vindt Lidwine Dellaert. 'Maar die 24 procent is voldoende om je als vrouw hier op school prettig te voelen, je zit niet als enige meisje in de klas. Bij de technische vakken ligt het aandeel van de vrouwen op maar zes procent.''

In de laboratoriumtechniek en de levensmiddelentechnologie zijn vrouwen vanouds vrij goed vertegenwoordigd. Landbouw, veehouderij en bosbouw blijven typische mannenrichtingen. Cultuurtechniek, ook zo'n traditioneel mannenbolwerk, is inmiddels omgedoopt tot natuurbeheer om, met een verbreed studiepakket, meer vrouwen te trekken.

Steeds jonger

Vrij veel afgestudeerden vestigen zich als zelfstandig ondernemer. Na de Agrarische Hogeschool begon 17 procent van de landbouwkundigen, 12 procent van de tuinbouwkundigen en 5 procent van de bedrijfskundigen een eigen bedrijf. De richtingen internationale agrarische handel, tropische landbouw en milieukunde kennen de meeste werkzoekenden en ook de meeste doorstudeerders.

Vergeleken met het vorige loopbaanonderzoek uit 1987 belanden de HAO-ers tegenwoordig vaker in de commerciële sector, in technische functies of in het buitenland. Onderwijs, onderzoek en leidinggevenden scoren wat lager dan in 1987. Vooral ouderen komen in leidinggevende functies en hun aandeel in de 'loopbaan-onderzoekspopulatie' neemt af door de snelle groei van het aantal HAO-studenten. De helft van de respondenten is minder dan vijf jaar afgestudeerd. Vorig jaar studeerden 2.000 HAO-ers af, in 1987 waren dat er nog maar 1200.

De economische recessie, en de crisis in de agrarische sector, zijn nog niet terug te vinden in de resultaten uit het arbeidsmarktonderzoek en dat terwijl het aantal afgestudeerden fors is gegroeid. 'Misschien'', zegt Dellaert hoopvol, 'hebben bedrijven in een krimpende markt juist meer expertise van onze afgestudeerden nodig om de zaak goed te blijven runnen.''