Wetgevende rechters

De belastingrechter heeft soms weinig waardering voor de kwaliteit van de wetten. Gewend aan de traditionele scheiding der machten, houdt hij zich vanouds verre van de wetgever. Maar de machtenscheiding verwatert en de rechters kunnen geknoei van de wetgever niet langer aanzien. De Hoge Raad demonstreerde kort geleden zijn behoefte de wetgever te verbeteren; de president van het Amsterdamse gerechtshof doet de suggestie voortaan rechters bij de wetgeving te betrekken.

De Hoge Raad kwam tot zijn actie in een proefprocedure die was aangespannen door een belastingrechter die anoniem wil blijven. Die heeft laten weten dat hij de procedure mede op verzoek van de Belastingdienst heeft gevoerd. Het ging om een onderdeel van de zogenaamde Oort-wetgeving: een beperking van aftrekposten bij gelegenheid van een belastingvereenvoudiging. De aftrekbaarheid van de studeerkamer thuis is sindsdien beperkt tot de mensen die meer dan de helft van hun inkomen daar verdienen. Het bedrag van de aftrek voor de huisvestings- en inrichtingskosten is wettelijk gesteld op 15 procent van de huurwaarde van het hele huis. Daarbij maakt de wet een verschil tussen degenen die hun huis huren en de mensen die in hun eigen huis wonen. De huurwaarde voor de huurders volgt uit de betaalde huur. Maar voor de eigenaars gaat de wet niet uit van de huursom die het huis op zou kunnen brengen, maar van een veel lager bedrag. Daardoor hebben huurders een hogere aftrek voor hun studeerkamer dan eigenaars van een woning.

Een uitgangspunt van ons rechtsstelsel is dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Soms zijn op die regel uitzonderingen toegestaan, maar daar moet dan een objectieve, goed gemotiveerde en redelijke rechtvaardiging voor bestaan. Die ziet de Hoge Raad nog net wèl als de wet huisvestingskosten anders behandelt naar gelang men huurder of eigenaar is. Maar wat betreft de inrichtingskosten valt met de beste wil van de wereld niet in te zien dat de eigenaar van de ruimte voor lagere kosten staat dan de huurder. De wettelijke regeling van de aftrek van een studeerkamer bevat dus een ongerechtvaardigde discriminatie. Daarmee treden de mensenrechtenverdragen in werking die ons tegen discriminatie moeten beschermen. De internationale verdragswaarborgen hebben meer gewicht dan de nationale wetten. Dat betekent feitelijk dat dit onderdeel van de Oort-wetgeving onverbindend is. De ruimere aftrek die gold vóór de Oort-herziening zou daardoor zijn geldigheid moeten herwinnen. De Hoge Raad heeft evenwel geen onverbindendverklaring uitgesproken. Hij heeft wel vastgesteld dat de nieuwe regeling voor de studeerkameraftrek van meet af aan onrechtmatig was, omdat de betrokken wetsregel in strijd is met verdragswaarborgen. De Raad gaat vervolgens zelf op de stoel van de wetgever zitten en maakt een betere regeling. Dat is in dit geval eenvoudig, omdat de belastingwet in een ander artikel wel een zuivere bepaling van de huurwaarde van een huis hanteert. Voortaan geldt die huurwaarde bij de berekening van de studeerkameraftrek, ongeacht de andersluidende wettekst. Hoewel de wetgever het indertijd echt anders heeft bedoeld, merkt de Hoge Raad fijntjes op dat het 'goed denkbaar' is dat regering en parlement na een nachtje slapen ook de voorkeur geven aan de oplossing van de Hoge Raad. Die oplossing is inderdaad volstrekt redelijk, maar het blijft een weg die de wetgever indertijd bewust niet is ingeslagen. Voor juristen zal het nog wel enige tijd een twistpunt zijn of het de taak van de rechter is om de wetgever te verbeteren door eigen regels te maken. Het hoort tot de rechterlijke taak wetten te interpreteren, niet ze te herschrijven. Advocaat-generaal Van Soest - een onafhankelijke topambtenaar die de Hoge Raad adviseert - is overigens van mening dat de wetgever wel degelijk een aanvaardbare wetsbepaling heeft opgesteld. Zijn mening dat de nu verworpen wetstekst juist was, heeft hij ruim een jaar geleden aan de Hoge Raad gegeven. Die heeft er dus veel tijd voor nodig gehad om tot zijn opmerkelijke beslissing te komen.

Een andere oplossing voor het verbeteren van de wetgeving wordt aangedragen door de president van het Amsterdamse gerechtshof, mr. H.F. van den Haak. Hij deed dat vorige week op een symposium dat de Nederlandse Staatscourant in de Eerste Kamer organiseerde. Zijn voorstel is om bij het uitdenken van wetsvoorstellen vroegtijdig rechters in te schakelen. Die kunnen dan de ervaring inbrengen die zij al rechtsprekend hebben opgedaan bij de uitvoering van de bestaande wetten. Ze zijn bij uitstek in staat wetsvoorstellen te toetsen op werkbaarheid, geschilgevoeligheid en doelmatigheid. Van den Haak heeft de ervaring dat het op dit moment nog al eens schort aan processuele eenduidigheid, doordachtheid en doelmatigheid van de wetten.