VNO bepleit opheffen 200 studierichtingen

DEN HAAG, 15 DEC. De universiteiten moeten de bezem halen door de wildgroei aan studierichtingen. Zeker tweehonderd van de huidige driehonderd afstudeerrichtingen kunnen verdwijnen of opgaan in brede wetenschappelijke opleidingen.

Dat heeft VNO-voorzitter A. Rinnooy Kan vanochtend gezegd op zijn maandelijkse perconferentie in Den Haag. Het aanbod aan studies aan de universiteiten is volgens het VNO dermate versnipperd dat te kleine vakgroepen zijn ontstaan die “een marginaal bestaan leiden”. Als “opvallende” studierichtingen die in aanmerking komen voor opheffing noemde Rinnooy kan onder meer bestuurskunde, wijsbegeerte, vrijetijdswetenschappen, huishoud- en informatiewetenschap en agrarische sociologie van de niet-westerse gebieden.

De overheid moet bovendien de studiekeuze van jongeren veel meer afstemmen op de maatschappelijke vraag naar academici, vindt het VNO. Het is “een grote maatschappelijke verspilling” dat een op de drie academici een half jaar na afstuderen werkloos is. Uit de vorige week gepubliceerde Schoolverlatersbrief blijkt dat de arbeidsmarktpositie van academici de laatste tijd sterk is verslechterd, vooral in de sociale richtingen.

Een precieze planning is niet mogelijk, aldus Rinnooy Kan, maar het ministerie van onderwijs kan studenten ontmoedigen of prikkelen een bepaalde studie te kiezen via het collegegeld en de studiefinanciering. Het VNO vindt wel dat de overheid alleen bij “grote overschotten” een toelatingsstop moet instellen voor studierichtingen met weinig uitzicht op een baan.

De werkgeversorganisatie heeft al eerder gepleit voor maatregelen om de in haar ogen ondoelmatige wildgroei aan universitaire studies aan te pakken. Rinnooy Kan toonde zich vanochtend dan ook tevreden over de koers van het hoger beroepsonderwijs, dat de laatste jaren het aanbod aan opleidingen ordentin “brede hoofdstromen” die beter aansluiten op de wensen van de arbeidsmarkt.

De VNO-voorzitter verwees naar een vorige week gepubliceerd rapport van de OESO waaruit blijkt dat Nederland op de ranglijst van onderwijsuitgaven van de vierde plaats in 1989 is gedaald tot plaats acht. In 1994 geeft Nederland 5,7 procent van het bruto binnenlands produkt in onderwijs, tegen 6,6 in 1989. In guldens zijn de investeringen in onderwijs overigens licht gestegen. De investeringen binnen het onderwijs zelf zouden echter nog veel gerichter kunnen plaatsvinden, aldus Rinnooy Kan. “Mede met het oog op de steunfunctie richting bedrijfsleven.” Extra investeringen voor beroepsonderwijs hebben voor de werkgevers voorrang.