Opera's rekenen af met romantische Romantiek

ß8Voorstelling: Manfred van R. Schumann door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Olaf Henzold m.m.v. Manfred Karge, Anna Nogara en Alexandra von Schwerin. Decors en kostuums: Rudy Sabounghi; regie: Jean-Claude Berutti. Gezien: 10/12 Kon. Muntschouwburg Brussel. Herhaling: 15/12.

ß8Voorstelling: La Bohème van G. Puccini door de Vlaamse Opera o.l.v. Silvio Varviso m.m.v. o.a. Fabio Armiliato, Mary Mills, Jean Glennon en Ned Barth. Decor en kostuums: Michael Levine; regie: Robert Carsen. gezien: 14/12 Kon. Vlaamse Opera Antwerpen. Herhalingen aldaar: 17, 19, 21, 23, 28/12; Opera Gent: 6, 8, 11, 14, 16/1.

Een helaas erg korte serie voorstellingen van Schumanns zelden gespeelde Manfred in Brussel en een reeks uitvoeringen van Puccini's La Bohème die nog een maand is te zien in Antwerpen en Gent bieden een cynische en hoogst opmerkelijke kijk op de romantiek aan het begin van de vorige eeuw. Geen gezwelg in lief en leed, hier heersen slechts veel ellende en inbeelding daarvan, incest, geesteskwellingen, liefdeloosheid en nutteloos leven. De dood is aan het eind van beide voorstellingen eerder een bevrijding dan tragiek.

Schumann bedoelde zijn Manfred (1849) naar het gedicht van Byron (1816) niet als opera, Singspiel of melodrama, maar als een dramatisch gedicht op muziek. Zoals Jean-Claude Berutti Manfred ensceneert is het een tachtig minuten durende gewone toneelvoorstelling met enkele multi media-aspecten. Vanuit de orkestbak klinkt incidentele muziek, op een gaasdoek voor de scène zien we filmprojecties, daar achter deels spectaculaire theatertechniek, we horen zang en zien acteren op een proscenium, in loges en in de zaal, waar de putti die balkons versieren hun rol spelen en de kroonluchter voor de zon doorgaat.

Waan en werkelijkheid zijn niet van elkaar te onderscheiden, netzomin als duidelijk is in hoeverre Schumann, die na de compositie van Manfred geestesziek werd en zichzelf poogde te verdrinken in de Rijn, hier zijn eigen lijden voorziet. De filosoof Manfred, die ver van zijn echtgenote in de Alpen verkeert, beleeft een Faustiaanse nachtmerrie na de verdrinkingsdood van zijn zuster Astarte, zijn geliefde. Vol onuitgesproken schuldbesef overlegt hij met geesten en goden, met mensen en met een priester. Manfred wil zelfmoord plegen, mag dat niet van zijn omgeving, vooral niet van de priester en dan loopt hij het theater uit. Een koor uit een ver klooster zingt het Requiem. Het klinkt hier als het toppunt van hypocrisie.

De voorstelling wordt uitstekend gespeeld en gezongen, al duurt het even voor men zich kan verstaan met de manier waarop Manfred hier verschijnt. Het merkwaardige is dat de acteur Manfred Karge in de titelrol zó objectiverend acteert en zijn teksten zó mechanisch zegt, dat Manfred zelf in de voorstelling een toonbeeld van rust en rationele reflectie is.

Karge beeldt de kwellingen van Manfred niet uit, die zien we slechts in zijn omgeving, die ze veroorzaakt. Het zijn de mensen, maar ook de dingen. Zijn bed wankelt en verwaait in de wind, de ijzeren spijlen vliegen zelfs in brand. Het lijkt de illustratie van Sartre's 'L'Enfer, c'est les autres' - de hel, dat zijn de anderen. Even later bevindt Manfred zich echter weer in een cirkel van helse vlammen, die hem, net als Brünnhilde in Der Ring des Nibelungen, beschermen tegen de kwalijke buitenwereld.

Bij de Vlaamse Opera geeft La Bohème een beeld van die treurige buitenwereld ten tijde van de Romantiek. Regisseur Robert Carsen, die in Antwerpen eerder opzien baarde met lucide geduide voorstellingen van Manon Lescaut, Tosca en Turandot, ziet ook nu weer kans om dit realistische repertoire een sterk symbolische lading te geven.

Het toneel ligt vol met de mislukte kunst van de bohémiens, een witte vlakte van weggegooide papieren die een kil poollandschap vormen, met een suggestie van kruiend ijs aan de horizon. Als ze een paar van die koude papieren in de kachel gooien vlammen ze op om even snel weer te doven. Het is een metafoor voor de snel oplaaiende liefde tussen Rodolfo en Mimi, die even vlug weer bekoelt. De bohémiens en het alcoholistische bloemenmeisje Mimi zijn hier totale mislukkelingen. Ze deugen niet als kunstenaar en niet als mens, ze zijn tot niets in staat en bekommeren zich uiteindelijk niet eens om elkaar.

Carsen toont de bohémiens als de onnadenkende, uitsluitend primair levende voorlopers van het hippie- en flower power-tijdperk. De carnavalsscène is hier zelfs een reusachtige explosie van groepssex, door het koor gedeeltelijk of geheel naakt uitgebeeld. In de derde acte wordt de sneeuw weer verbeeld door proppen weggegooid papier. Tijdens de slotacte 'in het jaargetijde van de bloemen' ligt het toneel bezaaid met narcissen. Maar Mimi sterft temidden daarvan en Rodolfo heeft het niet eens in de gaten. Als zijn vrienden hem erop hebben gewezen lopen zij weg, van hem en van elkaar, elk in een andere richting. En Rodolfo pakt maar wéér zo'n kil papier.

De voorstelling heeft een zeer directe uitwerking. De toneelbeelden zijn fraai, hun betekenis is dat allerminst. En ook het orkestspel onder leiding van Silvio Varviso en het zingen van de jonge cast is niet esthetiserend maar puur en erg geloofwaardig in het geheel van de voorstelling. De Romantiek ligt hier in de goot.