Met 'overgave' wast Cali-kartel zichzelf wit

Arm Medelln was in rouw gedompeld na de gewelddadige dood van Pablo Escobar, de Colombiaanse drugsbaron die een deel van zijn illegaal verdiende miljoenen investeerde in de plaatselijke voetbalvereniging, straatverlichting en nieuwe huizen. Maar Carlos en Rafael liggen er niet wakker van.

Carlos - laten we hem zo noemen - is een Dominicaan en verkoopt in de New Yorkse wijk Bronx versneden cocaïne, die hij zelf per kilo van een Colombiaanse groothandelaar afneemt, aan tientallen kleine straathandelaars die op hun beurt de behoeftigen van New York bedienen. Rafael is een arme boer in de Huallaga-vallei in Peru. Hij verbouwt coca omdat de Colombiaanse opkopers hem meer dan het tienvoudige betalen van wat hij zou verdienen met cacao of koffie. En dan nog kan hij zijn gezin maar net onderhouden.

Rafaels ene hectare met cocastruiken levert per jaar 1.700 kilo cocablad. Daarvoor ontvangt hij van de Colombiaanse traquateros zo'n vijfduizend gulden. De negen kilo 'straatcocaïne' die daaruit gewonnen kunnen worden brengen in The Bronx zo'n half miljoen gulden op. Zolang Rafael geen andere keuze heeft dan het verbouwen van coca en zolang Carlos' afnemers hem blijven vragen om méér, is het van ondergeschikt belang welke schakels zich precies tussen die twee bevinden. Tussen vraag en aanbod staan weliswaar wetten in de weg, maar geen onoverkomelijke praktische bezwaren.

Tot enkele jaren geleden domineerde het door Pablo Escobar geleide 'kartel' van Medelln - een losse coöperatie van handelaars in de omgeving van de Colombiaanse stad Medelln - de internationale cocaïnehandel. In juni 1991 gaf hij zich over aan de Colombiaanse autoriteiten in ruil voor de garantie dat hij niet aan de Verenigde Staten zou worden uitgeleverd en met een geringe straf in het vooruitzicht. In afwachting van zijn proces werd hij ondergebracht in een speciale gevangenis nabij Medelln, waaruit hij vorig jaar juli ontsnapte, maar zijn macht was toen al grotendeels afgekalfd.

Nu is hij dood. Op 4 december werd hij in Medelln neergeschoten door een speciale politie-eenheid, die een telefoontje van Escobar naar zijn zoon in Bogotà had weten te traceren. Escobars belangrijkste concurrent, het Cali-kartel, verkeert daarmee nu vrijwel in een monopolie-positie. Ook wanneer de laatste kopstukken van het Medelln-kartel die nog op vrije voeten zijn zich niet zouden aansluiten bij de concurrent, zou het Cali-kartel inmiddels verantwoordelijk zijn voor omstreeks tachtig procent van alle cocaïne die wordt ingevoerd in Europa, de Verenigde Staten en Japan. Van de geschatte twintig miljard dollar die jaarlijks alleen al in de VS worden verdiend met de handel in cocaïne, zouden er zes miljard naar Colombia terugkeren. Het Cali-kartel hoort daarmee thuis in de bovenste regionen van de Fortune-100, de jaarlijks verschijnende lijst van best renderende bedrijven.

Enkele uren vóór de met bloemen overladen doodskist van Escobar temidden van hysterische taferelen in Medelln werd begraven, verklaarde de Colombiaanse openbare aanklager Gustavo de Greiff dat enkele leiders van het Cali-kartel onderhandelingen waren begonnen over een mogelijke overgave aan de autoriteiten, mogelijk al begin volgend jaar. Onder de vermeende boetelingen zouden zich sleutelfiguren als de broers Gilberto en Miguel Rodriguez Orejuela, José Santacruz Londoño en Francisco Herrera bevinden. Eveneens in ruil voor een korte straf in een niet al te oncomfortabele gevangenis in Colombia en in ruil voor het onaangetast laten van hun vermogen zouden de kartel-bazen hebben aangeboden hun bedrijf binnen een half jaar te ontmantelen. En dat zou “zeer goed voor Colombia” zijn, aldus De Greiff. In de VS werd sceptischer gereageerd. Zo bestempelde de minister van justitie zo'n deal als een “uitnodiging voor iedereen om in drugs te gaan handelen”. Of de VS Colombia kunnen weerhouden van een overeenkomst is de vraag: ook in Escobars geval bleef hun tandenknarsend protest zonder gevolg.

De coke-handel gaat met zijn tijd mee. 'Pioniers' als Escobar operereerden voornamelijk in ongelikte stijl, waarin aanslagen en ander geweld de boventoon voerden en waarin gêne voor hun rijkdom geen rol speelde. Het Cali-kartel houdt er een even meedogenloze, maar gedisciplineerde en minder opzichtige bedrijfscultuur op na.

Het kartel is ingericht zoals een multinational met een 'raad van bestuur', en afdelingen voor financiën, personeelszaken, inlichtingen, research en logistiek. Hun kennis en bevoegdheden zijn streng gescheiden om de kwetsbaarheid van de organisatie te verkleinen. Leiders van een Cali-'cel' in het buitenland - vrijwel steeds Colombianen - is het verboden zich poenig te kleden en zij rijden verplicht in middenklasse-auto's. Voor een eventueel gebrek aan hun loyaliteit betalen hun familieleden in Colombia met hun leven.

De transacties worden minutieus vanuit Colombia voorbereid en afgehandeld met mobiele fax- en telefoonapparatuur. Alle transacties zouden worden bijgehouden in een gecomputeriseerde boekhouding. Voor het terugsluizen en 'witwassen' - het onzichtbaar maken van de illegale herkomst - van de miljarden maakt het kartel gebruik van ingewikkelde financiële netwerken die de hele wereld omspannen.

Drugsbestrijdingsorganisaties nemen het laatste jaar echter ook nieuwe trends waar. Een daarvan is de toename van transporten in baar geld vanuit de VS en Europa naar landen als Panama, Brazilië en ook Colombia, waar het witwassen van dollars relatief eenvoudig is. Een andere trend is het zogeheten smurfen. Daarbij wordt een groot aantal mensen geronseld die elk voor een relatief klein bedrag deelnemen in een grote witwasoperatie. Zo veranderden het afgelopen jaar via duizenden kleine internationale postwissels in totaal miljoenen dollars van kleur.

Internationale drugsbestrijders geven toe dat zij vrijwel machteloos staan tegenover deze inventiviteit op financieel gebied en de cel-structuur van het kartel, die alleen leidt tot de vangst van kleine vissen. Naar de motieven voor het aanbod van de Cali-leiding blijft het gissen. Dat de kopstukken zichzelf een respectabel imago willen geven met het oog op hun in Harvard en Princeton studerende kinderen, zoals wel is gesuggereerd, mag onwaarschijnlijk heten. Aannemelijker is de verklaring dat hun aanbod bewijst hoe veilig zij zich voelen in een land waar hun met geld en dreigementen gesmeerde invloed is doorgedrongen tot op het allerhoogste niveau en dat economisch niet zonder de inkomsten uit de drugshandel kan. Door zo'n 'overgave' met een korte beperking van hun bewegingsvrijheid en aansluitend het gelegaliseerde vruchtgebruik van hun tegoeden zouden zij immers zichzelf witwassen.