HOOP & ZEGEN

Het postmodernisme heeft De Grote Vertellingen failliet verklaard. Maar de mens kan niet leven zonder hoop. Gelukkig staan op de puinhopen van de grote ontnuchtering nog voldoende strohalmen.

De paradox van de jogger

Veel mensen hebben een hekel aan het denken in tijdvakken. Als iemand het over 'de jaren zestig' heeft, worden zij ibbel, en vragen op hoge toon wat er dan wel veranderde op 1 januari 1960, en door welk mirakel de wereld opnieuw een omwenteling doormaakte op 31 december 1969. Zij nemen de woorden 'decennium' en 'eeuw' met opzet letterlijk om daarmee het tijdvakdenken te ontzenuwen en te bewijzen dat de geschiedenis een traag voortkabbelende rivier is van gebeurtenissen die zich niet laten rubriceren in perioden. De inleiding van Hoop en Zegen begint telkens met de woorden 'Het postmodernisme heeft De Grote Vertellingen failliet verklaard', en het is deze zin die vaak kritiek heeft gekregen. Ook deze critici voelen er niets voor een nieuw tijdvak binnen te gaan, vooral niet als dat wordt aangeduid als 'de 21ste eeuw', of 'de jaren negentig'. Denken in decennia mag niet, want historische ontwikkelingen houden zich daar niet aan. Jan Kuitenbrouwer wilde mij de oren wassen omdat ik heb geschreven over 'het levensgevoel van de jaren negentig', en reclamemaker Frank Pels betoogde onlangs “dat de jaren zestig pas begonnen in 1969, toen de Beatles uit elkaar gingen”. Bovendien vindt hij dat modeverschijnselen zoals het dragen van lang of kort haar niets zeggen over de tijdgeest: de kortgeschoren coupe ontstond louter omdat je daarmee gemakkelijker een walkman op je hoofd kunt zetten. Kortom: in deze visie is het denken in perioden een constructie van schrijvers, want de werkelijkheid voltrekt zich als een opeenvolging van toevalligheden.

Dat laatste is een aantrekkelijke gedachte: achter de loop der geschiedenis zit geen plan, de mensen klooien maar wat aan, en het leidt vanzelf wel tot iets. Of tot niets, natuurlijk. Het is een prettig soort chaostheorie, waarbij je rustig achterover kunt leunen, en waarbij iedereen die samenhang probeert te ontdekken bij voorbaat belachelijk is. Maar wat, als we aan de oever van de traag voortkabbelende rivier van gebeurtenissen die zich niet laten rubriceren in perioden, ineens een school dode vissen voorbij zien drijven, en een tijdje later nog eens en nog eens. Is dat wel toevallig?

Iets dergelijks geldt voor menselijk gedrag. Het lijkt een bont circus van onvoorspelbaar gedoe waarin de één zich nog krankjorumer gedraagt dan de ander, en waarbij iedere poging om er een trend in te ontdekken onmiddellijk wordt afgestraft met alweer een onvoorziene nouveauté. Maar als je in de ene periode bijna dagelijks een bezetting of een massademonstratie zit te aanschouwen, en tien jaar later is niemand meer zijn huis uit te krijgen, dan lijkt dat toch geen toeval. Met een beetje soepele toepassing van de termen 'eeuw' en 'decennium' kun je dan heel bruikbare indelingen maken.

In het boek 'Man van zijn eeuw' verwoordt H.J.A. Hofland de opvatting dat de twintigste eeuw vijfenzeventig jaar heeft geduurd: van de Eerste Wereldoorlog tot de val van de Berlijnse Muur. In plaats van hem te beschuldigen van 25 procent eeuw-verduistering, zou je dat kunnen zien als een interessant standpunt, met behulp waarvan een eeuw die in letterlijke zin dus geen eeuw is, helder kan worden getypeerd. Datzelfde geldt voor 'de jaren negentig'. De twintigste eeuw van Hofland eindigt in 1989, en wie zijn opvatting deelt, hoeft maar een maand te smokkelen om 'de jaren negentig' mooi op tijd te laten beginnen. Het is of de Oost-Berlijners hebben gewacht om het fin de millénaire precies een decennium te laten duren.

Wat maakt het levensgevoel van de jaren negentig nu zo anders dan dat van de jaren zestig of tachtig? Dat verschil kan worden gedemonstreerd aan een simpel voorbeeld: de paradox van de jogger. Een jogger is iemand die, gehuld in een merkwaardig samenraapsel van sportkleren, op sneakers en met een hoofdband, hevig transpirerend door het straat-, duin- of bosbeeld rent. Hij of zij meent dat zulks goed is voor de gezondheid. Sport staalt de spieren, mens sana in corpore sano. Maar sport is van alle tijden, en waar komt nu ineens die eenzame jogger vandaan? Tot diep in de jaren zeventig voltrok sportbeoefening zich in teamverband. De zwemvereniging, de voetbalclub, het tennisteam. Toen kwam de individualiseringsgolf. De sportclub werd als benauwend ervaren, en wie een béétje eigentijds in het leven stond verliet de voetbal- of tennisvereniging en ging joggen. Kon je sporten op het tijdstip dat het jou uitkwam, op de plaats die jou aanstond, en voor de duur die je zelf had bepaald. Met geen mens iets te maken. De jogger is het symbool van de individualiseringstrend: de persoonlijke belangenbehartiging die geen collectief nodig heeft. Als eenling sterk, en laat de rest maar modderen. Sinds kort voltrekt zich echter een paradoxaal verschijnsel. Steeds meer eenzame sjokkers sluiten zich bij elkaar aan om samen hun rondje te rennen. Daarmee geven ze de oorspronkelijke voordelen van het solosporten in één klap prijs. Maar het is geen terugkeer naar de jaren-50-traditie van de gymnastiekvereniging. De paradox van de jogger is het resultaat van een keuze, niet van traditioneel gedrag. Het is een vrijwillige keus voor onvrijheid, die elk moment ongedaan kan worden gemaakt. Vrijheid in gebondenheid. Waarop de jogger van de jaren negentig hoopt, is een leuke groep individuen om lekker mee te rennen. Waarmee hij denkt te worden gezegend, is een goede gezondheid en de warmte die afstraalt van een clubje geestverwanten. Dat laatste is in de jaren negentig wel een paradoxale keuze waard.

Wat doen mensen in uw omgeving om er de moed in te houden? Aan welke eigentijdse strohalmen klampen zij zich vast in de strijd tegen de ideologische ontnuchtering? Stuur een korte beschrijving van max. 300 woorden naar:

HOOP & ZEGEN Postbus 24 1390 AA Abcoude

De beste inzendingen zullen in deze serie worden verwerkt.