Een 'kampement' zonder zwepen

DEN HAAG, 15 DEC. Afgelopen voorjaar veroorzaakte premier Lubbers enige commotie met zijn pleidooi criminele jongeren te werk te stellen in “kampementen”. Critici kregen meteen historische beelden op hun netvlies van “het werkkamp op Terschelling”.

Afgelopen maandag ging de Tweede Kamer zonder veel ophef akkoord met de invoering van een experiment voor aangepaste opvang van jeugdige criminelen. Het woord kampement komt in het voorstel van minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Kosto van Justitie niet voor. Er is sprake van “een nieuwe strafmodaliteit”, de jeugdwerkinrichting (JWI), waarvoor een zorgvuldige strategie is uitgestippeld om criminele jongeren voor te bereiden op een terugkeer in de samenleving.

Het voorstel van de bewindslieden laat zich lezen als een brochure voor het puikje van Neêrlands raddraaiers. Er is voorlopig plaats voor vijftig mannen van 18 tot 23 jaar die mede door het gemis van een adequate opvoeding, vorming en opleiding zijn vervallen tot ernstig crimineel gedrag. Zij zullen vanaf 1 januari worden geselecteerd uit circa honderd jongeren in de vier arrondissementen die bij de proef zijn betrokken: Amsterdam, Alkmaar, Almelo en Rotterdam. Het betreft verdachten die hebben bekend en voor wie een verblijf in een jeugdwerkinrichting in de plaats komt van een veronderstelde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste zes maanden en ten hoogste twee jaar. De gemotiveerde deliquenten moeten in staat zijn (zware) fysieke arbeid te verrichten. Niet in aanmerking komen: ernstige verslaafden, psychiatrisch zieken en jongeren wier delicten maatschappelijke weerstand hebben opgeroepen.

Premier Lubbers had het woord kampement overgenomen van de korpschef van de regiopolitie Twente, P. IJzerman. Deze was met een aantal collega's bij Lubbers op bezoek geweest om onder meer het probleem van moeilijk op het rechte pad te brengen jongeren te bespreken, van wie het aantal door de politie landelijk op drie- à vijfduizend is geschat.

IJzerman zegt ingenomen te zijn met het maandag genomen besluit: “Het gaat om een groep jongeren die steeds opnieuw worden gepakt voor overvalletjes en inbraken. Na voorwaardelijke veroordelingen en een enkele gevangenisstraf komt er in hun situatie weinig verbetering; ze blijven rondlummelen op straat en komen in het drugscircuit terecht. Er zijn voor hen veel projecten maar die sluiten niet altijd goed op elkaar aan. Waar ik voor heb gepleit is een project waarin de jongeren in een traject, gedurende langere tijd, intensief begeleid worden. Dat gebeurt in deze jeugdwerkinrichtingen. Deze oplossing is geen panacee maar ik geloof zeker dat hiermee een deel van de probleemjongeren kan worden bereikt.”

Behalve het gevangeniswezen zijn bij het driejarig experiment ook de reclassering en de arbeidsbureaus betrokken. Het verblijf in de jeugdwerkinrichting duurt vijftien maanden en is onderverdeeld in een “intramurale fase met een onder- en bovenbouw van minimaal negen maanden en maximaal een jaar”. Hierna volgt een “extramurale fase van een half jaar”. In de onderbouw staan op het programma: (zelf)-discipline en sociale vaardigheden; arbeidsgewenning door werken in bos- en heideprojecten; beroeps- en opleidingsoriëntatie; training en vorming in het zelfstandig wonen en het verbeteren van bestaande sociale relaties; en, in bijzondere gevallen, het vergroten van de kennis van het Nederlands.

De onderbouw wordt gehuisvest in de gevangenis en rijkswerkinrichting Groot Bankenbosch in Veenhuizen, nu goed voor 252 gedetineerden. Voor het project zullen extra cellen worden gebouwd die, iets te laat, in maart worden opgeleverd. “We hebben nog geen zwepen gekocht”, zegt plaatsvervangend directeur G. Groeneveld. Wel is het de bedoeling de jongeren de hele dag bezig te houden. Het dagelijkse programma voorziet in rooien, opsnijden en snoeien in de bossen en 's avonds in vorming en sport, met name judo “om te leren met agressie om te gaan”.

Groeneveld: “De basisbegrippen zijn discipline en structurering. Het gaat om mensen die uit een huis van bewaring komen en weinig of geen arbeidsverleden hebben. Dat moeten we ze leren. Dat betekent bijvoorbeeld dat we ze 's morgens wel wekken maar dat ze zich zelf naar het ontbijt moeten begeven.” Hoofd begeleiding W. Kortmann heeft er zin in: “Dit project is iets totaal anders. Het wijkt af van de gebaande paden.”

Voor de aansluitende bovenbouw (drie tot zes maanden) worden de deelnemers, mits geschikt bevonden door Groot Bankenbosch, overgeplaatst naar de penitentiare inrichting Niendure in Almelo, het huis van bewaring De Noordsingel in Rotterdam of het huis van bewaring Zwaag in Hoorn. Hier staat de 'arbeidstoeleiding' in de vorm van een 'scholingstraject' centraal. De deelnemers aan de bovenbouw hebben recht op weekendverlof.

In de extramurale fase ten slotte (zes maanden) verblijven de gedetineerden buiten de jeugdwerkinrichting. Intensieve begeleiding bij het zelfstandig werken of het volgen van een opleiding en wonen staat voorop. Doel is de jongeren te leren de verworven vaardigheden in de praktijk toe te passen.

De kosten van het JWI-project, voorheen: de 'kampementen', bedragen eenmalig vier miljoen gulden voor nieuw- en verbouw van de inrichtingen en jaarlijks 4,8 miljoen gulden voor de exploitatie.