Dubbelmandaat

OOK BIJ DE Partij van de Arbeid kent vernieuwing haar grenzen. Onder aanvoering van de afdeling Brussel heeft het congres van de partij het zogeheten dubbelmandaat afgewezen. Eén en dezelfde persoon zowel lid laten zijn van de Tweede Kamer als van het Europese Parlement bleek voor de meerderheid van de afgevaardigden te veel van het goede. Hierdoor gaat wat een interessant experiment had kunnen zijn helaas niet door. Hedy d'Ancona is straks alleen verkiesbaar voor het Europese Parlement.

Tegen het dubbelmandaat bestaan zowel principiële als praktische bezwaren. Men kan niet van twee parlementen tegelijk lid zijn, zeggen degenen die recht in de leer zijn. Het verschijnsel van Tweede-Kamerleden die tevens zitting hebben in het Europese Parlement betekent een vermenging van verantwoordelijkheden en zou zelfs kunnen leiden tot renationalisatie, is hun vrees. De praktische bezwaren concentreren zich op de fysieke onmogelijkheid een dergelijke dubbelfunctie naar behoren te kunnen uitoefenen.

Niet voor niets komt de kritiek op het dubbelmandaat vooral van politici die de overstap naar Europa hebben gemaakt en komen de pleidooien voor zo'n constructie van nationale politici. De eersten hebben oog voor hun werkzaamheden, de tweeden voor de status van het Europese Parlement. De Europese politiek spreekt weinigen aan zoals de verkiezingen voor het Europese Parlement van 1989 hebben bewezen. Slechts 47 procent van de kiesgerechtigden bracht toen zijn stem uit. De verwachtingen voor het komende jaar zijn niet beter.

Overigens bewaart niet alleen de kiezer enige afstand tot de Europese politiek, dat geldt ook voor de volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer. Een recent onderzoek van de Rotterdamse hoogleraar Van Schendelen bracht aan het licht dat 79 procent van de Tweede-Kamerleden het werk van het Europese Parlement “uiterst onbelangrijk” vindt. Zelf lopen ze niet warm voor de Europese zaak. In de rangorde van belangrijkheid van de commissies in de Tweede Kamer bezet die voor Europese aangelegenheden een zeer marginale plaats.

HET EUROPESE Parlement is gebaat bij een grotere herkenbaarheid. Meer bevoegdheden voor dat parlement zouden daaraan ontegenzeggelijk bijdragen. Maar vervulling van die voorwaarde is nog ver weg. Er is zodoende sprake van een vicieuze cirkel: een onvolwaardig parlement leeft niet bij de bevolking, maar zolang de interesse zo gering is, kan datzelfde parlement slechts met weinig overtuigingskracht pleiten voor meer bevoegdheden.

De vraag is vervolgens of de herkenbaarheid nog langs andere wegen kan worden vergroot. Een mogelijkheid daartoe is het dubbelmandaat waarbij aansprekende nationale politici ook een rol gaan vervullen in het Europese Parlement. Politiek wordt zeker in het huidige tijdperk geïdentificeerd met personen. Herkenbare nationale politici kunnen op die manier bijdragen aan een herkenbaarder Europees Parlement. In elk geval kunnen zij het debat dat op Europees niveau wordt gevoerd iets dichter bij de kiezer brengen.

De discussie over het dubbelmandaat is niet nieuw. Sinds de rechtstreekse verkiezing van het Europese Parlement in 1979 realiteit werd, zijn in feite alle argumenten gewisseld. Tegelijkertijd zijn in die tijd nationale parlementariërs en Europese parlementariërs verder uit elkaar gegroeid en is de belangstelling voor het Europese Parlement bij de kiezer alleen maar afgenomen. Dat vraagt om creatieve oplossingen. Het dubbelmandaat past in die categorie. Niet dat mevrouw d'Ancona de kloof tussen Den Haag en Straatsburg had kunnen dichten. Maar de voors en tegens van het dubbelmandaat hadden nu wel eens eindelijk in de praktijk kunnen worden getoetst.