De belangrijkste punten van het GATT-akkoord

INSTITUTIONELE AFSPRAKEN EN REGELS:

Multilaterale handelsorganisatie:

De omvorming van de GATT tot een multilaterale handelsorganisatie. Dit orgaan kan de aangesloten landen dwingen hun nationale handelswetgeving in overeenstemming te brengen met de afspraken die in de wereldhandelsovereenkomst zijn gemaakt. Aan het hoofd staat een ministersconferentie die om de twee jaar bijeenkomt. Het nieuwe orgaan kan door zijn permanente karakter langdurige handelsrondes overbodig maken.

Geschillenbeslechting:

Deze krijgt door een hele reeks aanpassingen een meer dwingend karakter. De procedures voor de panels, die klachten over handelsmaatregelen beoordelen, zijn aan strikte tijdslimieten gebonden. Bovendien worden de bestaande onafhankelijke panels geïntegreerd, zodat aangeklaagde landen minder gemakkelijk maatregelen kunnen ontlopen door steeds weer naar een andere panel te gaan. Een panel-rapport wordt voortaan automatisch aanvaard, tenzij de de multilaterale handelsorganisatie het eenstemmig verwerpt. Veroordeelde landen kunnen hierdoor veel minder gemakkelijk beslissingen blokkeren. In de nieuwe regeling krijgen landen die in het gelijk zijn gesteld een uitgebreider recht om handelssancties te treffen. Deze hoeven niet langer in de economische sector te liggen aan welke de tegenpartij met oneerlijke acties schade heeft berokkend.

Anti-dumping:

Het gaat hier om landen die extra importheffingen leggen op goederen die door het exporterende land beneden 'normale' waarde worden verkocht. Zij moeten zich aan striktere regels houden. Anti-dumpingheffingen mogen voortaan niet langer dan vijf jaar van kracht blijven. Daarna moet het betreffende land opnieuw aantonen dat zijn industrie schade is berokkend door dumping. Een panel mag in een marginale toetsing beoordelen of een land de gegevens op grond waarvan anti-dumpingmaatregelen zijn genomen “onbevooroordeeld en objectief” gebruikt. GATT-experts hopen dat hierdoor misbruik wordt teruggedrongen. Op voorstel van de VS is een versoepeling aanvaard, die het mogelijk maakt dat ook vakbonden klachten over dumping kunnen indienen.

Intellectueel eigendom:

Bescherming van patenten, copyrights, merken, computerprogramma's, designs, de lay-out van halfgeleiders enzovoort. Ontwikkelingslanden die geen wetgeving voor bescherming van intellectueel eigendom kennen, krijgen tien jaar de tijd om deze te ontwikkelen.

Subsidies en tegenmaatregelen:

Een aantal specifieke subsidies (voor een industrie of groep van industrieën) wordt verboden, waaronder exportsubsidies en subsidies om het gebruik van nationale goederen te bevorderen. Als subdidies 5 procent van de omzet te boven gaan worden zij geacht “ernstige schade” te berokkenen aan industrieën in andere landen, en kan een beroep worden gedaan op de geschillenregeling. Subsidies voor onderzoek en ontwikkeling (maximaal 75 procent) en regionale ontwikkeling (maximaal 50 procent) zijn toegestaan. Bij aantoonbare schade mogen landen tegenmaatregelen nemen, als aan een aantal voorwaarden is voldaan. De armste landen vallen niet onder disciplines voor subsidies. De industrie voor verkeersvliegtuigen valt geheel buiten de multilaterale regeling.

Technische handelsbarrières:

Uitbreiding van afspraken over technische vereisten die aan produkten mogen worden gesteld. Voor binnenlandse en buitenlandse goederen moeten de dezelfde specificaties gelden.

Regels over de origine van produkten:

Striktere afspraken over de procedures voor het vastellen van de herkomst van goederen. Dit laat landen minder ruimte voor protectionistische maatregelen.

Vrijwaring:

Geeft landen de mogelijkheid een specifieke industrie te beschermen tegen een onvoorziene toename van importen, als hierdoor ernstige schade wordt geleden. De maatregel mag in algemeen niet langer dan vier jaar van kracht blijven. De regeling voorziet in consultaties over schadevergoeding aan getroffen landen en maatregelen om deze eventueel af te dwingen. De verwachting is dat hierdoor minder landen hun toevlucht tot vrijwaring zullen nemen. Tegen ontwikkelingslanden gerichte maatregelen zijn aan veel strengere voorwaarden gebonden. Er komt een verbod voor 'grijze zone' maatregelen. Het gaat hier met name om de zogenoemde 'vrijwillige exportbeperkingen' die grote handelsblokken geregeld aan economisch zwakkere landen opleggen om de eigen industrie te beschermen. Bestaande vrijwillige exportbeperkingen moeten in fasen worden afgeschaft. Elk land mag op één specifiek terrein een dergelijke beperking handhaven.

Investeringsmaatregelen met betrekking tot handel:

Een beperking van de mogelijkheden voor overheden aan investeringen bepaalde voorwaarden te stellen. Het gaat hier o.a. om een verplichte minimale lokale aankopen door een onderneming en het aan banden leggen van de import door zo'n onderneming. Ontwikkelde landen moeten dergelijke beperkingen binnen twee jaar afschaffen, de minst ontwikkelde landen krijgen er 7 jaar de tijd voor.

MARKTTOEGANG:

Industrie:

Het streven om de importtarieven met gemiddeld een derde te verminderen is ruimschoots gehaald. Volgens sommige schattingen komen alle landen uit 40 tot 45 procent. De EU en de VS zitten daar met 50 procent nog boven. De importtarieven in de wereld zakken door de verlagingen die alle landen hebben toegezegd van bijna 5 procent tot iets meer dan 3 procent.

Landbouw:

De onderlinge afspraken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten (het aangepaste Blair House) zijn overgenomen. Dit betekent onder meer dat het volume van de gesubsidieerde landbouwexport in zes jaar tijd met 21 procent wordt verminderd. Het bedrag aan exportsubsidies gaat in dezelfde periode met 36 procent omlaag. De ontwikkelde landen brengen de importtarieven op landbouwprodukten met gemiddeld 36 procent (met een minimum van 15 procent per produkt) omlaag, de ontwikkelingslanden met 24 procent. De minst ontwikkelde landen zijn tot niets verplicht. Voor landen die een verbod op de import van een bepaald produkt kennen geldt dat zij minimaal 3 procent van de markt moeten open, oplopend naar 5 procent in 6 jaar. Zo besloot Japan deze week zijn rijstmarkt voor 4 procent te openen, oplopend tot 8 procent over zes jaar.

Textiel en kleding:

De talrijke afspraken over importquota in het kader van het Multi Vezel Akkoord worden stapsgewijs in tien jaar afgeschaft. Vanaf dat moment vallen textiel en kleding volledig onder het GATT-regime. Vooral ontwikkelingslanden krijgen hierdoor meer exportmogelijkheden.

Diensten:

In een wettelijk raamwerk zijn de algemene verplichtingen en disciplines vastgelegd. De belangrijkste is het GATT-principe van de meest begunstigde natie, dat een handelsvoordeel aan één land verstrekt aan elke GATT-partner moet worden verleend. De belangrijkste sectoren waarover afspraken zijn gemaakt zijn toerisme en professionele dienstverlening als accountancy en consultancy. Om nationale regelgeving de belangrijkste bepalende factor zijn voor de markttoegang, moeten deze regels op een redelijke en objectieve manier zijn vastgelegd. Er zijn ook regels voor het personenverkeer, dat met de diensttverlening verband houdt.

Overheidsaanbestedingen:

Dit onderwerp maakt formeel geen deel uit van de GATT, omdat slechts een beperkt aantal landen meedoet. In Genève is er dan ook alleen in de marge van de Uruguay-ronde over onderhandeld. Volgens GATT-experts hebben hetrokken landen, waaronder de VS, de EU, Canada, Japan, Zuid-Korea, Hongkong en Singapore behoorlijke aanbiedingen voor verdere openstelling van hun markt op tafel gelegd.