Boogert opgetogen over lessen van Navratilova

AMSTERDAM, 15 DEC. Martina Navratilova wilde van de organisatie weten wie er meedeed. Kristie Boogert? Dan train ik met haar, besloot de negenvoudig Wimbledon-kampioene twee weken geleden tijdens een demonstratie-toernooi in Luxemburg. En Boogert draafde met plezier op. Twee keer om warm te slaan voor een wedstrijd, een keer voor een pittige training. Boogert kijkt, als ze de kans krijgt, speciaal naar de wedstrijden van Navratilova om haar aanvallende spel te bestuderen. Trainen en sparren was een dankbaar geaccepteerde aanvulling in het lespakket.

In de eerste ronde van de nationale Masters in Amsterdam kon Boogert gisteravond haar ervaringen met goed gevolg toetsen aan de praktijk. Zonder enige moeite versloeg ze haar reisgenote van het afgelopen jaar, Monique Kiene, met 6-1 en 6-0. In de tweede ronde speelt ze morgen, op haar 20ste verjaardag, tegen Brenda Schultz, die het toernooi in de afgelopen zes jaar vijf keer heeft gewonnen.

Navratilova en Boogert delen de liefde voor het net. Ze spelen consequent service-volley, terwijl het overgrote deel van de vrouwelijke tennissters zich beperkt tot heen-en-weer-slaan vanaf de baseline. Navratilova is 37. Ze heeft aangekondigd nog een jaar in het enkelspel uit te komen en wil zich daarna beperken tot dubbelspel, waarin ze dit jaar met Manon Bollegraf zal spelen. “Zij speelt al jaren service-volley”, zegt Boogert over Navratilova. “Ze weet precies wanneer ze naar het net kan. Ik blijf nog wel eens achterin hangen als ik ook naar voren had gekund.”

De kennismaking van Boogert met Navratilova begon een maand voor Wimbledon. Boogert versloeg op het gras van Beckenham wereldtopper Zina Garrison en trof in de finale haar favoriete tennisster. “Ze had me in een Amerikaans tijdschrift al eens als talent genoemd. Maar ze is zo hoog, je hebt bijna geen contact. Je vraagt je af of ze dat wel serieus meent”, vertelt Boogert. “Ze belde me op of ik wilde trainen. Eerst ben je nerveus en onder de indruk, maar dan ga je steeds meer ballen halen. Ik kon haar redelijk bijhouden.”

Boogert, die uit Zuid-Beijerland komt, behoort met Linda Niemandsverdriet, Stephanie Rottier, Petra Kamstra en Monique Kiene tot de talentrijke generatie die is geboren in 1973 en '74. Rottier en de een jaar oudere Miriam Oremans hebben inmiddels de top-vijftig bereikt. De anderen hebben het talent om dezelfde opmars te maken. Boogert stond in september 88ste en eindigde het seizoen als numer 102.

Bondscoach Stanley Franker dichtte haar al eens dezelfde mogelijkheden toe als Richard Krajicek. Cees Houweling, de trainer die Boogert van haar dertiende tot haar achtttiende begeleidde, denkt dat haar slagen-repertoire goed genoeg is om de top-twintig te bereiken. “Ik maak elk jaar progressie”, zegt Boogert zelfbewust. “Ik heb zelfvertrouwen. Mijn doel voor volgend jaar is de top-vijftig.”

De 1.79 meter lange Boogert heeft geen haast. Ze vindt zichzelf een speelster die geleidelijk haar weg omhoog zal vinden. De afgelopen twee jaar maakte ze deel uit van jong-oranje, het keurkorps van de tennisbond. De speelsters betalen hun eigen onkosten, de bond financiert de kosten en het salaris van een coach. Boogert reisde met onder andere Kiene en Niemandsverdriet en werd begeleid door de Australiër Phil Atkinson. Het zou kunnen dat ze het volgende jaar op eigen benen komt te staan. Ze onderhandelt nog met Franker over een voortzetting van het contract. Maar ze is, zoals Oremans en Rottier het afgelopen jaar met veel succes deden, nog niet in staat zelfstandig een coach in dienst te nemen. “Als je ieder toernooi de halve finale moet halen om je coach te kunnen betalen, ben je verkeerd bezig. En het wordt ook steeds moeilijker om een sponsor te vinden die wil investeren en niet direct iets terugverlangt.”

Als een van de weinige Nederlandse topspeelsters - ze is de nummer vijf van Nederland - nam Boogert het afgelopen seizoen deel aan de nationale competitie. Terwijl de rest zich in Amerika voorbereidde op de US Open, won Boogert met Popeye Gold Star de landstitel. De suggestie dat een ambitieus talent de competitie zou moeten overslaan, wuift ze weg. “Ik trek het hele jaar met een klein groepje van toernooi naar toernooi en speel dan voor mezelf. Ik heb 52 weken per jaar plezier, maar in de competitie speel je voor een echt team. Twee weken per jaar mag het toch wel gezellig zijn?”