Arme wereld via Helsinki-model helpen met eten én democratie

Hoe verbeteren we de levensomstandigheden van arme landen die massaal migranten uitstoten? Door allereerst de magen van hun bewoners te vullen, schreef prof. Joris Voorhoeve op 6 december op deze pagina. Pas daarna zou er ruimte komen voor zaken als democratie en mensenrechten. Dat is onjuist. Er bestaat een directe relatie tussen de mate van democratie in een land en het welvaartsniveau van zijn bewoners.

Migrantenstromen stoppen door onze grenzen te sluiten, zal op z'n best tijdelijk enig soelaas bieden. Als het water blijft stijgen kun je wel beginnen de dijken te verhogen, maar eindeloos daarmee doorgaan gaat niet. Het zou een mooie plot voor een kerstverhaal zijn: de noeste deltabewoners die het wassende water probeerden te keren door steeds maar weer hogere en nog hogere dijken te bouwen, tot de dijken zo hoog waren dat zij het zonlicht tegenhielden en alle leven achter de dijken bevroor. Op termijn zijn er dan ook slechts twee oplossingen mogelijk: of West-Europa moet zodanig verarmen dat migranten zo'n kansloze plek zullen mijden, òf in de migrantenproducerende landen moet het leven zo aantrekkelijk worden, dat niemand er meer aan denkt om te vertrekken.

Aannemende dat we de verarming van West-Europa liever uitstellen is de vraag: hoe verbeteren we de levensomstandigheden in de migrantenproducerende landen? Prof. J. Voorhoeve betoogde onlangs nog op deze plaats: eerst de magen vullen en daarnà is er wel wat ruimte voor mensenrechten. Onzin. Er bestaat namelijk een direct verband tussen de mate van democratie in een bepaald land en het materiële niveau van de bewoners aldaar. Dat blijkt onder andere uit Starving in Silence, een rapport met case studies over censuur als oorzaak van hongersnood en de rol van censuur in het vertragen van voedselhulp waardoor mensen massaal de dood vonden, in 1990 uitgegeven door 'Article 19' te Londen. Zonder een onafhankelijke pers zul je er dus niet altijd achter kunnen komen of en waar en hoeveel magen gevuld moeten worden.

Bovendien zal ook Voorhoeve toch willen dat de mensen in de ontwikkelingslanden uiteindelijk zèlf hun magen kunnen vullen. Daarvoor hebben ze geld nodig, dus werk. Maar in sommige, volgens de nieuwe maatstaven van Buitenlandse Zaken en Justitie, veilige landen, kunnen bepaalde groepen moeilijker aan werk komen, dan andere (zigeuners in Roemenië, Samburus in Kenia, Quechuas in Bolivië, etcetera). Wie het over magen vullen heeft en denkt dat de democratie wel wat later kan, zal ontdekken, dat menige regering van mening is, dat sommige magen best wat minder gevuld mogen blijven.

Hoe kan de directeur van Clingendael zich zo vergissen? Omdat hij zichzelf aan het begin van zijn betoog op het verkeerde been zet, met zijn opsomming van een scala van doelstellingen, die wij met onze ontwikkelingshulp nastreven. Alsof armoedebestrijding, economische verzelfstandiging, milieuzorg, mensenrechten, allemaal afzonderlijk van elkaar verwezenlijkbaar en bestaanbaar zouden zijn. Het gaat juist om de samenhang der dingen en daarom bepleit minister Pronk terecht integratie van ontwikkelingssamenwerking in het buitenlandse beleid.

Ontwikkelingssamenwerking beoogt een herverdeling van het internationale inkomen tot stand te brengen. Ook gezondheidszorg, een schoon milieu en politieke en sociale rechten zijn inkomen. Migratiestromen zijn niets anders dan een consequentie van ongelijke internationale inkomensverdeling, die zich met Buys Ballot-achtige wetmatigheid bewegen van arme naar rijke landen. Migratiebeleid hoort dus onderdeel te zijn van het ontwikkelingsbeleid. Op de erkenning van deze onderlinge samenhang rust bovendien een belangrijke politieke premie. Door namelijk aan ontwikkelingssamenwerking de doelstelling te koppelen van afremmen van de migrantenstroom, wordt hun belang tegelijk ons belang. Voor het maatschappelijk draagvlak een goede zaak. Immers Voorhoeves 'zieligheidsfactor' (mensen hebben daar honger en gaan gauwer dood) is de afgelopen decennia niet of nauwelijks effectief gebleken om mensen hier te mobiliseren voor méér ontwikkelingssamenwerking. Eigenbelang (uitzicht op vermindering van het aantal asielzoekers) motiveert nu eenmaal de meeste mensen het best.

Binnen het beleid voor ontwikkelingssamenwerking zou het bevorderen van de democratie daarom een hoge, wellicht de hoogste, prioriteit moeten krijgen. Immers veel migranten verlaten hun land omdat de autoriteiten mensenrechten aan hun laarzen lappen. Zulke migranten zijn politieke vluchtelingen, asielzoekers. Maar dikwijls is het onmogelijk scherp onderscheid te maken tussen politieke en economische vluchtelingen. Is iemand die zijn land verlaat omdat hij vanwege een 'verkeerde' etnische afkomst geen werk kan krijgen, een economische of een politieke vluchteling? En, eerlijk gezegd, wat maakt het helemaal uit. Als u of ik toevallig in Ghana waren geboren, zouden we toch ook alles doen om het geld bij elkaar te sprokkelen, als het moet door illegaal in Nederland te gaan werken, voor een behoorlijke opleiding van onze kinderen?

Maar kun je het bevorderen van de democratie in andere landen met enige kans op succes tot doelstelling van je beleid maken? Incidenteel, in conferenties van donorlanden, of als een Europeaan in Azië opgehangen dreigt te worden, wordt door rijke landen wel eens kritiek geuit op het mensenrechtenbeleid in ontwikkelingslanden. Voorzover althans het bewuste ontwikkelingsland niet een te groot economisch belang vertegenwoordigt voor het kritische rijke land. In het laatste geval wordt zwijgen meestal als de te verkiezen strategie verkozen, hoewel we de verwevenheid van democratie met economische ontwikkeling als feit accepteren en hoewel we zien, dat veel geld verkeerd besteed wordt door het ontbreken van democratie, dat grote groepen onbereikbaar zijn, omdat de autoriteiten niet willen dat wij hen bereiken.

Maar een enkele keer hebben we succes. Zo is in Zambia, mede dankzij aanhoudende internationale druk, twee jaar geleden een meerpartijendemocratie ontstaan. Toch staan autoritaire regimes in het algemeen niet te popelen om van ons te horen hoe het moet. Kritiek van buiten wordt afgedaan als ongewenste inmenging in binnenlandse aangelegenheden of als neo-kolonialisme.

Maar er is een aanpak die kan werken: het Helsinki-model. Joschka Fischer, milieu-minister en vice-premier van de deelstaat Hessen - en als het volgend jaar in Bonn tot een rood-groene coalitie zou komen, zeker minister in de federale regering - zei begin dit jaar tegen NRC Handelsblad: “Nu we in retrospectief de grote betekenis zien van de CVSE - de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa die in 1975 tot de Slotakte van Helsinki leidde - voor de mensenrechtengroepen in Oost-Europa, zouden we kunnen proberen dit model toe te passen op onze samenwerking met bijvoorbeeld Afrika. De CVSE was succesvol, omdat verschillende belangen aan elkaar gekoppeld werden: veiligheid, economische samenwerking en mensenrechten. Daardoor bleek de CVSE tegelijk subversief.

Subversief was de Slotakte van Helsinki zeker. Door de bepaling dat deze akte in ieder aan de CVSE deelnemend land gepubliceerd moest worden, kon schaakgrootmeester Boris Spasski, als een van de eersten in de toenmalige Sovjet-Unie, de autoriteiten het leven zuur maken, door gewoon niets anders te doen dan het optreden van de autoriteiten te toetsen aan de tekst van de Slotakte. Hoewel het CVSE-idee oorspronkelijk al in 1954 gelanceerd werd door Sovjet-minister van buitenlandse zaken, Molotov, kwam het pas eind 1972 tot de eerste voorbereidende bijeenkomst. Van het Sovjet-idee van een Europese veiligheidsalliantie was toen eigenlijk al nagenoeg niets meer over en Moskou accepteerde, dat samenwerking op het gebied van veiligheid, onlosmakelijk verbonden werd met economische samenwerking en mensenrechten en vice versa. Door in de Slotakte van Helsinki van 1975 ook nog af te spreken dat er regelmatig toetsingsconferenties worden gehouden, werd het mogelijk over mensenrechten te praten zonder dat zulks kon worden afgedaan als ongewenste inmenging in binnenlandse aangelegenheden.

Met dit Helsinki-model kan het rijke Noorden zich vergaand 'bemoeirecht' verwerven in het ontwikkelingsproces van arme landen, zònder van neo-kolonialisme beschuldigd te worden. Immers door economische, sociale èn democratische ontwikkeling onderling van elkaar afhankelijk te maken, te synchroniseren, wordt een structuur gecreëerd waarin mensenrechten bespreekbaar zijn. Westers aandringen tot bijvoorbeeld respect voor de vrijheid van meningsuiting, heeft voor het betrokken ontwikkelingsland de extra dimensie, dat serieus ingaan op deze aandrang, ook vooruitgang op het gebied van economische samenwerking kan bewerkstelligen en aldus de economische onafhankelijkheid alleen maar vergroten. Met deze,naar analogie met de Slotakte van Helsinki, overeengekomen synchroniciteit, verschaft het Noorden zich een drukmiddel en een alibi tegelijk. Dan pas heerst het klimaat waarin Voorhoeve met enige kans op succes kan beginnen aan zijn project van hongerige-magen-vullen.