Volledige werkgelegenheid hoeft helemaal geen illusie te zijn

De Tweede Kamer bespreekt deze week de begroting van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid. In de debatten zal de aanpak van de snel oplopende werkloosheid centraal staan. Volgend jaar zullen naar verwachting 625.000 mensen werkloos zijn en zal het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering oplopen tot 715.000, een na-oorlogs record.

Aan de vooravond van de behandeling van de begroting spreken twee deskundigen zich uit over het werkgelegenheidsbeleid van minister De Vries. Volgens socioloog prof.dr. H.P.M. Adriaansens, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), heeft hij onvoldoende oog voor de ingrijpende sociaal-culturele veranderingen die zich in de samenleving voltrekken. Afschaffen van de 'kostwinnersideologie', waarvan nagenoeg alle sociale en fiscale regelingen in dit land zijn doordrenkt, zou pas echt zoden aan de dijk zetten. Econoom prof.drs. G. Zalm, directeur van het Centraal Planbureau, zoekt het vooral in een versobering van de sociale zekerheid, een verzakelijking van de overheid en het scheppen van laagbetaalde banen. Volledige werkgelegenheid achten beiden haalbaar, als Nederland maar wil.

Alom bijval voor de sociaal-economische analyse van Sociale Zaken, concludeerde topambtenaar drs. H. Borstlap gisteren niet zonder voldoening aan het slot van een discussie over de Sociale Nota 1994 van zijn departement. Gemakshalve negeerde hij de tamelijk principiële kritiek die de socioloog prof.dr. H.P.M. Adriaansens, tevens lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, kort daarvoor had geuit. “De Sociale Nota, hoe verfrissend in menig opzicht ook, kenmerkt zich door een gebrekkige sociaal-culturele diepgang”, aldus Adriaansens.

Minister De Vries zoekt de oplossing voor de actuele werkloosheid vooral in uitbreiding van arbeidsintensieve werkgelegenheid, loonmatiging en flexibilisering van de arbeidsmarkt door deregulering. Allemaal best, vindt Adriaansens, maar wat volgens hem pas echt zoden aan de dijk zou zetten, is het afschaffen van de 'kostwinnersideologie'.

“In vrijwel alle opzichten is onze loonvorming nog getekend door wat in de jaren vijftig en zestig 'normaal' was. De man was de minister van buitenlandse zaken van het gezin, de kostwinner. Zijn vrouw de minister van binnenlandse zaken, die zorgde voor het welzijn. Nagenoeg alle sociale en fiscale regelingen zijn nog daarop geënt. Destijds waren dat voortreffelijke regelingen, die ons tot enorme stijgers maakten en die zorgden voor een geweldige sociale dynamiek. Maar nu is dat anders. De samenleving is sterk geïndividualiseerd, maar het kostwinnersmodel staat nog recht overeind.”

Deze kostwinnersideologie heeft geleid tot relatief hoge arbeidskosten, want het loon moet immers hoog genoeg zijn om de veronderstelde niet-werkende overige gezinsleden te onderhouden. En die hoge arbeidskosten vereisen op hun beurt weer een hoge arbeidsproduktiviteit. Werk dat daaraan niet voldoet, wordt weggesaneerd. Daardoor is volgens Adriaansens veel reguliere arbeid uit het formele circuit gevallen. “Neem bijvoorbeeld het georganiseerde vrijwilligerswerk in verzorgingstehuizen of revalidatiecentra. Dat wordt steeds belangrijker, maar omdat het niet voldoet aan de hoge eisen van arbeidsproduktiviteit moeten we het vrijwilligers laten opknappen. Maar waarom voldoet het niet aan die arbeidsproduktiviteits-eis? Omdat ervan wordt uitgegaan dat het door een alleenverdiener wordt gedaan en de beloning voldoende moet zijn voor het onderhouden van een gezin.”

Dat is toch mesjogge, zegt Adriaansens. “Als je van Mars komt, snap je er niets van. Maar wij zitten er midden in, zijn er aan gewend en vinden het normaal. Tornen aan de kostwinnersideologie, dat krijgt deze minister van sociale zaken niet over zijn lippen.” In het verlengde hiervan vindt Adriaansens bij voorbeeld ook dat het wettelijk minimumloon voor toekomstige generaties beter kan aansluiten bij het sociale minimum voor het individu dan bij het sociale minimum voor het gezin.

Adriaansens is mede-auteur van 'Werkend perspectief', de drie jaar geleden verschenen baanbrekende studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over arbeidsparticipatie in de jaren negentig. Daarin werd afgerekend met de mythe dat de werkloosheid in Nederland zich op het niveau van de ons omringende landen bevindt. Officieel is dat zo, maar wie kijkt naar de deelname aan het arbeidsproces moet concluderen dat Nederland dankzij het royale beroep op onder andere Vut en WAO bedenkelijk laag scoort. “We hebben onze werkloosheid voor een belangrijk deel weggedefinieerd.”

De afgelopen jaren heeft zich volgens Adriaansens een verheugende omslag in het denken voltrokken. “Een jaar of vier geleden kregen we nog te horen: 'Wat maken jullie je toch druk om die arbeidsparticipatie, we hebben toch een solide sociale zekerheid'. We adviseerden onder andere de ruimte tussen de laagste loonschalen in de CAO's en het wettelijk minimumloon op te vullen. Nou, dat hebben we geweten. We kregen ontzettend op ons lazer van de vakbeweging. Maar nu, luttele jaren later, is dat volledig omgeslagen. In enkele jaren tijd hebben we onze eigen biografie compleet herschreven.”

Het komt er volgens de Utrechtse hoogleraar nu op aan de omslag in denken te laten volgen door daden. In dit verband lanceerde hij eerder het idee van een 'wig-akkoord'. “Elke oplossing voor het werkloosheidsvraagstuk die niet uitgaat van verkleining van het verschil tussen bruto loonkosten en netto loon, de wig, biedt geen soelaas”.

Voor zo'n aanval op de wig zouden overheid, werkgevers en werknemers de handen ineen moeten slaan. De overheid zou genoegen moeten nemen met derving van premies en belastingen, maar daar zou tegenover staan dat het beroep op de sociale zekerheid afneemt. De werkgevers zouden moeten zorgen voor nieuwe werkgelegenheid als ze een redelijk rendement kunnen verwachten in de vorm van lagere bruto arbeidskosten. En de werknemers zouden hun bereidheid tot loonmatiging gehonoreerd zien in meer banen. “Elke partij is voor het rendement op zijn investering afhankelijk van de twee andere partijen. De kunst is dat zodanig aan elkaar te koppelen, dat het gezamenlijk belang, namelijk verkleining van de wig, binnen bereik komt.” In de praktijk komt daar nog niet veel van terecht, erkent Adriaansens, ofschoon hij de groeiende consensus over de gewenste koers bemoedigend vindt.

Met zo'n wig-akkoord zou volgens Adriaansens een grootscheepse poging kunnen worden gedaan het zwarte, grijze en vrijwilligers-werk geleidelijk weer in het formele circuit te trekken. “Voorzichtig geschat gaat het daarbij om tussen de half en driekwart miljoen arbeidsjaren. Dat werk is er. Het wordt gedaan en we zijn er in toenemende mate afhankelijk van. De schilder die officieel 60 gulden per uur kost, maar het zwart voor 25 gulden doet, is toch de beste bewijs dat de wig te groot is.”