Twee eenakters van Tsjechov sfeervol verfilmd

Een zwanezang, Ned.3, 20.30-20.58u.

De beer, a.s. vrijdag, Ned.3, 23.11-23.56u.

Er gaat van het werk van Anton Tsjechov onmiskenbaar iets gezelligs uit, iets voor de winteravond als het hout brandt en de sneeuwstorm om het huis huilt. De klucht De beer, die vrijdagavond wordt uitgezonden, is daar een prachtig voorbeeld van. We krijgen een weduwe te zien die al maandenlang rouwt om de dood van haar man. Het portret aan de wand is verlicht door kaarsen. Haar oude huisknecht probeert haar vergeefs op te monteren; dan verschijnt er bezoek van een jongeman die nog geld tegoed heeft. Meteen is het raak tussen die twee, hoewel de vrouw probeert stand te houden en niet te wankelen. Zij wil zelfs met hem duelleren omdat hij zich als een ongelikte beer gedraagt. Aan het slot, pistool in de hand, omhelst zij hem snikkend.

Tsjechov moet De beer met groot plezier hebben geschreven; elk effect is berekend. Schitterend is de passage waarin de man zegt wat hij al niet ondernam om bij de vrouwen, die 'poëtische zieltjes', in de smaak te vallen. Doorgewinterde leugenaarsters zijn het in zijn ogen; ingebeelde aanstelsters, afgunstige roddelaarsters. Hij heeft als een ekster met de vrouwenemancipatie meegeklepperd. Niets kon hem genezen van zijn vrouwenliefde. Nu gaat hij weer door de knieën.

Dit bij het publiek geliefde korte stuk krijgt van regisseur Willem van de Sande Bakhuyzen het juiste evenwicht tussen melodrama en ernst. Jasperina de Jong als de weduwe kan heerlijk snikken en Jules Hamel als de wildebras is, voor je er erg in hebt, meteen op het kookpunt in zijn woedeuitbarsting jegens vrouwen - waar hij overigens, dat zie je meteen, niets van meent. De camera glijdt langzaam tussen de personages heen en weer, heel naturel en vanzelfsprekend, zonder grootse ingrepen.

De beer was eerder in de rotonde van de Amsterdamse Schouwburg te zien. De andere eenakter van Tsjechov, Een zwanezang, die vanvond wordt uitgezonden, is door filmregisseur Ben Verbong ter hand genomen. Hij heeft nadrukkelijker een klein kunstwerk willen afleveren, waarin zelfs droombeelden figureren die niet in de tekst zijn terug te vinden. Ton Lutz speelt een oude acteur die vlak voor de voorstelling dronken in slaap viel om erna pas te ontwaken. Het publiek is naar huis, het theater is verlaten. We krijgen sfeervolle beelden te zien van de mooiste bonbonnière onder de Nederlandse schouwburgen, die in Leiden. Lampen, het kale toneel, de touwen, het pluche en het fluweel. De oude acteur komt tot het inzicht dat zijn leven op de planken voor niets is geweest, want hij had eigenlijk de vrouw van zijn dromen moeten najagen. De 'branding van haar lokken deed rotsgevaarten, ijsschotsen, sneeuwvelden in stukken breken.' Tsjechov manipuleert in dit stuk op de vierkante millimeter met tal van tegenstellingen: jong en oud, vuur en koude, heden en verleden.

Lutz maakt geen sentimentele oude dwaas van zijn personage. Hij maakt de toeschouwer deelgenoot van zijn groeiende zelfinzicht en van de bitterheid die komt, als het leven voorbij lijkt. Wat aan het slot overblijft is een leeg toneel, dat een blauwige weerschijn heeft onder het kunstlicht. Met hart en ziel heeft Tsjechov deze metafoor over het bestaan als theater geschreven; Verbong en cameraman Paul van den Bos leggen in Een zwanezang veel precisie en toewijding aan de dag.