Nobilitas litteraria

Nexus 7. Uitg. Kok Agora, 160 blz. ƒ39,90

Het Tilburgse Nexus heeft de allure van een internationaal academisch tijdschrift. Dat is ook de bedoeling: wetenschappelijke essayistiek op het gebied van cultuurgeschiedenis, cultuurfilosofie en cultuurkritiek wil men bedrijven, en daarbij worden dikwijls buitenlandse geleerden ingeschakeld. Niet bepaald wat je een 'publiekstijdschrift' noemt dus, maar voor de - qua omvang - bescheiden doelgroep waar het blad op mikt biedt Nexus elke vier maanden interessante lees- en denkstof.

Aan het zevende nummer deden geen internationale essayisten mee. Het is helemaal gewijd aan 'de wereld van Johan Polak', de zeer geletterde uitgever die eind mei 1992 overleed en in november 65 jaar zou zijn geworden. Volgens redacteur Rob Riemen is het woord 'cultuur' te smal om Polaks wereld mee aan te duiden, hij spreekt liever van 'nobilitas litteraria', de adel van de geest. Polak was mede-oprichter van Nexus.

Tien mannen en een vrouw herdenken Polak hier; Antoine Bodar, Cornelis Reedijk, Rudi van der Paardt, Paul Claes, G. J. Dorleijn, Christine D'haen - vrienden waren zij, en ze zijn natuurlijk bepaald niet 'van de straat'. Het vriendennummer van Nexus ademt de Polak-sfeer: intellectueel, zwaarmoedig, humoristisch, elitair en boeiend.

G. A. von Winter plaatst Johan Polak, wiens archieven nog gesloten zijn, in de joodse uitgeverstraditie met de illustere voorgangers Samuel Fischer, Kurt Wolff en Salman Schocken. Ook is er aandacht voor Catullus, Erasmus, Boutens en Kees Ouwens, maar Polaks Marguerite Yourcenar en Ida Gerhardt kregen geen afzonderlijke bijdrage. Door 'eruditie en levenslot' verenigde Johan Polak volgens Marcel Poorthuis in zijn persoon de twee polen van de Westerse beschaving: het klassieke Griekse denken en het Joodse. In een helder, mooi essay stelt Poorthuis de beide polen tegenover en naast elkaar. Hij sluit af met: “De eindeloze beeldenrijkdom van de Westerse kunst zou bijna doen vergeten dat er maar één beeld is dat helemaal en ten volle ons respect verdient: het beeld van God, de andere mens. Het is de 'stem van de Sinaï' die bij alle magnifieke verworvenheden van de Westerse beschaving, de schilderkunst en de kathedralen, de universiteiten, de bibliotheken en concertzalen, aandacht blijft vragen voor dat ene, dat misschien door al deze schittering wordt vergeten: de waarheid en waardigheid van de mens. Want in het hooghouden van dé waarheid heeft de Westerse beschaving zich juist in deze eeuw het zwakst betoond.”