Nederland heeft alleen de Belgen ooit met open armen ontvangen

Veel mensen is 'territorium-gedrag' niet vreemd, gedrag dat bijvoorbeeld ook bij sommige soorten vogels voorkomt en waarbij deze vogels soortgenoten uit hun leefgebied verjagen. 'Nieuwkomers' zijn niet welkom. Bij vogels heeft dit instinctief gedrag een biologische achtergrond: een bepaald territorium levert maar een beperkte hoeveelheid voedsel, hongerlijdende buren kunnen dus beter worden geweerd. Bij de mens is het bestaansmiddelenargument om immigratie tegen te gaan overbekend. Maar het argument dat immigranten met een andere cultuur moeten worden geweerd is dieper geworteld. Hoe is het anders te verklaren dat een groot aantal Belgische vluchtelingen in 1914-18 redelijk gastvrij werd ontvangen, Duitse joden met een misschien wat meer afwijkende cultuur in 1933-40 minder gastvrij en asielzoekers, vooral na 1985 afkomstig uit landen met een sterk afwijkende cultuur, nog minder gastvrij? Vlak na het begin van het Duitse bombardement op Antwerpen in het najaar van 1914 vluchtten ongeveer een miljoen Belgen over de grens naar ons land. De Belgische autoriteiten hadden in verband met het bombardement gevangenen en psychiatrische patiënten vrijgelaten: de massa vluchtelingen was dus zeer heterogeen van samenstelling. Negentig procent van de vluchtelingen keerde al heel spoedig weer terug naar België, maar ongeveer 100.000 bleven tot het einde van de oorlog in ons land, afgezien van 33.000 hier geïnterneerde Belgische militairen. Er mocht 'zachte drang' op de vluchtelingen worden uitgeoefend om terug te keren naar België. Onder zachte drang verstond een enkele burgemeester dat hij de in zijn gemeente aanwezige Belgen gewoon de gemeente uit kon zetten maar dat was gelukkig een hoge uitzondering.

Er waren twee soorten Belgen: stille armen, door de Belgen in het toen nog oppermachtige Frans les pauvres honteux genoemd en de overige armlastigen. De eersten kregen een hogere uitkering dan de laatsten. Men vond blijkbaar dat mensen die vroeger in goeden doen waren geweest recht hadden op een hogere uitkering. Misschien stond hun cultuur ook dichter bij die van de mensen die het toen in Nederland voor het zeggen hadden.

In België was er waardering voor de opvang van de vluchtelingen. De schrijver Stijn Streuvels schreef in zijn oorlogsdagboek na een bezoek aan Nederland o.a. “...wij, Zuid-Nederlanders (zullen) indachtig blijven wat de Noord-Nederlanders voor ons gedaan hebben en wat wij hun verschuldigd zijn”.

Het pakte anders uit: België legde na de oorlog bij de geallieerden de eis van annexatie van Zuid-Limburg en Zeeuws Vlaanderen op tafel. Gelukkig heeft dat maar tijdelijk de goede verhoudingen verstoord.

De Duitse joden werden in 1933-40 minder gastvrij ontvangen. Een voorbeeld. Toen in 1939 het plan rijpte om een deel van de over verschillende kampen verspreide joden in een centraal kamp onder te brengen dacht de minister van Binnenlandse Zaken van Boeyen aan een terrein op de Veluwe, in de gemeente Ermelo. Hij stelde koningin Wilhelmina op 10 maart 1939 van dat voornemen in kennis. Al op 14 maart ontving hij een brief van het kabinet van de koningin waarin o.a. stond dat Hoogstderzelve het bepaald betreurde dat de keus van een plaats voor het vluchtelingenkamp was gevallen op een terrein dat zo dicht bij het zomerverblijf van Hare Majesteit was gelegen, dat het Hoogstderzelve aangenamer ware geweest indien dat terrein, eenmaal de keuze op de Veluwe gevallen zijnde, veel verder van Het Loo had gelegen. (zie: Corrie K. Berghuis: Joodse vluchtelingen in nederland 1938-1940. Documenten betreffende toelating, uitleiding en kampopname. Bronnenpublikatie, Kampen 1990.) En dus kwam het kamp niet op de Veluwe, maar bij Westerbork, in Drenthe.

Zoals nu talloze Nederlanders een asielzoekerscentrum niet in hun achtertuin wensen, zo wilde koningin Wilhelmina dat in 1939 evenmin. Duitse joden waren blijkbaar in de ogen van sommigen net zulke gevaarlijke lieden als asielzoekers nu. Overigens maakte niet alleen de koningin bezwaar tegen het kamp op de veluwe, ook inwoners van die gemeente, de ANWB, en diverse VVV's tekenden bezwaar aan.

Colijn had een bijzonder argument om niet te veel gevluchte joden toe te laten. Als minister-president verklaarde hij op 15 november 1938 in de Tweede Kamer dat de stemming in ons eigen volk ten opzichte van de joden een ongunstige kentering zou kunnen ondergaan. Hij had gelijk: Duitse joden hadden een andere cultuur en godsdienst dan de meeste Nederlanders die in meerdere of mindere mate territorium-gedrag vertoonden. Opgemerkt kan overigens nog worden dat de opvang van Duitse joden in Nederland in de jaren '33-40 geheel uit particuliere bronnen, vooral door Nederlandse joden werd gefinancierd. De kosten van de bouw van het kamp in Westerbork kwam voor rekening van de Nederlandse staat, maar de joodse organisaties namen op zich om die kosten geleidelijk terug te betalen.

In 1956 kwamen na de Hongaarse opstand ruim 3.000 Hongaren naar ons land. Zij waren gevlucht uit een van de 'rijken van de duivel'. Wie het lukte te ontvluchten werd gastvrij ontvangen in Westerse landen. Van die naar Nederland gekomen Hongaren werd maar 15 procent door politieke motieven gedreven, de overige 85 procent door economische motieven. Volgens de huidige maatstaf zou dus hoogstens 15 procent de vluchtelingenstatus hebben gekregen. Naar vluchtmotief werd in die dagen geen onderzoek ingesteld, wel werden de vluchtelingen die tijdelijk onderdak hadden gevonden in Oostenrijk zo goed mogelijk geselecteerd op bepaalde beroepen. Vooral mijnwerkers waren welkom, want daaraan was in Zuid-Limburg groot gebrek. Het resultaat was dat 171 Hongaren door de Staatsmijnen werden geworven maar daarvan waren er op 18 mei 1957, nog geen half jaar later, 83 al niet meer in hun dienst. Dat selecteren moest overigens behoedzaam gebeuren om geen argwaan te wekken. Goed koopmanschap dus.

Prinses Wilhelmina stelde een huis in Apeldoorn beschikbaar voor de Hongaarse vluchtelingen. Het pas opgerichte Universitair Asiel Fonds organiseerde er een cursus voor scholieren en studenten. Wilhelmina woonde toen op Het Loo. Misschien herinnerde ze zich haar beslissing 17 jaar eerder toen ze bezwaar aantekende tegen een kamp voor vluchtelingen op veel grotere afstand van Het Loo en misschien had ze spijt van die beslissing zoals waarschijnlijk meer Nederlanders later spijt hadden van hun territorium-gedrag in 1933-40. Haar standvastig gedrag in de oorlog in londen, zelf uitgewekene zijnde, maakt dat waarschijnlijk.

Nu komen vluchtelingen met een grote variatie in huidskleur en cultuur uit bijna alle windstreken. Dat leidt tot territorium-gedrag bij vele Nederlanders. Als diezelfde Nederlanders zelf ooit zouden moeten vluchten zou territorium-gedrag van hun naaste of verre buren hun waarschijnlijk niet erg gelegen komen.