Nalatigheid ING bijl aan wortel van het beurstoezicht

AMSTERDAM, 14 DEC. Het fijndooraderde bouwwerk dat het toezicht van de Amsterdamse effectenbeurs vormt, begint voor de controleurs van de beurs steeds meer een labyrint te worden. Een grote bank (ING) blijkt te hebben gezwegen over malversaties bij de effectenafdeling en zo het controlebureau in het ongewisse te hebben gelaten over mogelijke overtreding van beursregels. Dezelfde bank kan over dezelfde zaak een incompleet dossier leveren zonder dat de controleurs dat meteen in de gaten hebben. De omslachtige wegen die de controleurs moeten afleggen door de administraties van beursleden worden steeds moeilijker begaanbaar door blokkades die effectenbanken, commissionairs en hoeklieden opwerpen met een beroep op de privacy-wetgeving.

Het beurstoezicht in Amsterdam is volgens goed Nederlands gebruik 'zelfregulerend'; dat wil zeggen dat de Vereniging voor de Effectenhandel ('de beurs') haar eigen leden controleert. Een sleutelrol daarbij is weggelegd voor de accountants van het controlebureau, aan wie de kleinere beursleden regelmatig hun solvabiliteits- en liquiditeitsoverzichten moeten tonen. De controleurs lichten daarbij gemiddeld eens in de twee jaar de hele administratie van deze leden door. Bij onregelmatigheden kan het dagelijks bestuur van de beurs besluiten een zaak aan te kaarten bij de Commissie van Orde, die dan eventueel tuchtrechtelijke maatregelen neemt tegen een beurslid.

Voor de vier grootste banken (ABN Amro, ING, Rabo en Credit Lyonnais Bank Nederland) geldt de 'voordeur-controle', in 1985 vastgelegd in een convenant tussen banken en beurs. Het controlebureau ontvangt bij wijze van spreken aan de voordeur de rapporten van de interne accountansdiensten over de financiële situatie en doet geen eigen onderzoek. De beurs heeft voor deze constructie gekozen, omdat zulke sterke financiële instellingen niet snel zullen omvallen en omdat de interne accountantsdiensten veel beter zijn toegerust dan het controlebureau.

Dat de kleinere partijen op de beurs dikwijls toch mopperen op het 'voordeur-convenant' (“Wij wel en zij niet”) komt voort uit een sterk Calimero-complex. De 'grootbanken' vormen verreweg de grootste partij in de aandelenhandel met een gezamenlijk marktaandeel van meer dan 50 procent. In de besturen van de effectenbeurs zijn de banken dan ook de machtigste partij. De invoering van het vernieuwde en geautomiseerde handelssysteem volgend jaar, die vooral de hoeklieden veel pijn doet, is bijvoorbeeld tot stand gekomen onder druk van de banken die de kosten drastisch omlaag willen hebben.

Vorige week greep de Vereniging van Commissionairs dan ook haar kans om naar aanleiding van de ING-affaire 'klassejustitie' te roepen en het convenant ter discussie te stellen. Overtreding van beursregels is ook een grote bank verplicht te melden aan de beurs. ING had echter nagelaten de beurs in te lichten over de fraude in 1989 en 1990 bij de toenmalige NMB door twaalf handelaren, die mogelijk ook beursregels hebben overtreden. Kort daarop deed ING er een schepje bovenop door, zoals gisteren bleek, niet alle stukken van het dossier over deze kwestie te overhandigen aan het controlebureau.

De houding van ING zet de bijl aan de wortels van het beurstoezicht, gebaseerd op wederzijds vertrouwen en het nakomen van afspraken. Bij de NMB-zaak is onder meer buiten de beurs en de officiële noteringen om gehandeld, wat de centrale marktplaats ('de beurs') ondergraaft. Fundamenteel voor het slagen van het nieuwe handelssysteem is straks dat alle partijen de grote aan- en verkooporders in het centrale computersysteem zetten en niet doen aan in house matching - het intern tegen elkaar 'wegstrepen' van bijvoorbeeld een aankooporder van 5.000 KLM-stukken en een verkooporder van 6.000 KLM'en. Het is begrijpelijk dat de kleinere commissionairs nu zo hun twijfels hebben over de controle hierop als ING pas door perspublikaties wordt gedwongen de beurs in te lichten.

Het controlebureau blijkt er dus niet op te kunnen vertrouwen dat de banken altijd overtredingen melden. Hoewel het controlebureau afhankelijk is van wat de bank aan informatie wil geven (wat precies beschikbaar is, is van buiten niet te zien) kan het er niet zonder meer op vertrouwen dat alle relevante stukken worden geleverd. Als de controleurs vermoeden dat een dossier incompleet is, kan het controlebureau die niet meteen zelf gaan halen. Dat kan pas als de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) het bureau een formele onderzoeksopdracht geeft, maar dat kost tijd.

Een ander probleem waarmee het controlebureau worstelt is de Wet Persoons Registratie (WPR), waardoor financiële instellingen door cliënten aansprakelijk kunnen worden gesteld als al te lichtvaardig privé-gegevens worden verstrekt. In de praktijk gebruiken veel effecteninstellingen de WPR echter om een extra blokkade op te werpen en een eigen 'voordeur-controle' af te dwingen. De Amsterdamse effectenbeurs studeert met de ministeries van financiën en justitie op een oplossing. In de tussentijd groeit voor het controlebureau de tegenstelling tussen de steeds strenger wordende regels - zoals nu bij banken - en een armslag die steeds korter wordt.