Minder is altijd mooier

The Paris Review, 128. 387 blz. $10. 43-39 171st Place, Flushing NY 11358 USA

Amerika's fameuze Paris Review met zijn oplage van dertienduizend exemplaren per kwartaal bestaat veertig jaar. En, misschien tot troost van Nederlandse en Vlaamse tijdschriftenmakers, het draait al veertig jaar met verlies. Dit jaar werd de vaste subsidie van de National Endowment for the Arts, zelf slachtoffer van bezuinigingen, onverwacht niet toegekend. Met de argumenten wordt in een redactioneel voorwoord korte metten gemaakt: The Paris Review werd bestempeld als conservatief en saai, voorspelbaar, met te vaak dezelfde grote schrijvers en te zelden beginners, en met zelfgenoegzame interviews.

Het veertigste jaar werd er dus een van eindeloze fundraising. Met voorleessessies, vuurwerkfeesten, tuinpartijen en dergelijke is het bedrag bijeen gebracht - zodat er nu een idiote foto in The Paris Review staat van verklede auteurs die met blote buiken de can-can aan het dansen zijn: Peter Maas, Jeff Eugenides (The Virgin Suicides), Tama Janowitz en Jay McInerney. William Styron zit tijdens het vuurwerk onverstoorbaar voor te lezen uit eigen werk.

Dit honderdachtentwintigste nummer bevat helaas nét de 44 verschillende slotversies van A Farewell to Arms die Hemingway schreef en bewaarde, doordat de kinderen van de schrijver het plotseling erg oneens werden over eigendomsrechten. Wel staan er veertien van de verworpen titels van deze oorlogsroman in het documenten-gedeelte van dit nummer (uiteenlopend van Death Once Dead tot Love in Italy); en zijn vele titelversies voor zijn memoires, die zijn uitgever tenslotte niet The Eye and the Ear maar A Movable Feast noemde.

Heel fraai is ook de brief van Dylan Thomas aan tijdschriftredactrice Marguerite Caetani, waarin hij zich verontschuldigt voor het uitblijven van de tweede helft van een bijdrage die uiteindelijk Under Milk Wood zou worden. Eind 1952: “About another visit to the States, I don't know. Though I can only play a poet there, and not make poetry, yet there I can, if only for a few months, live and send money home. I may have to go again. I cannot go on thinking all the time of butchers and bakers and grocers and cobblers and rates and rents until I bleed. After I have finished what I am now working on, I may have to give up writing altogether.”

Het proza in dit nummer is van Ethan Canin, Gabriel Garcá Márquez, Jeanette Winterson en debutante Marcia Guthridge. De dertig dichters zijn voor ons totale onbekenden. Writers at Work-interviews werden gehouden met Don DeLillo, de in Nederland opmerkelijk weinig populaire auteur van White Noise, Libra en Mao II; en met Toni Morrison (“Less is always better”), sinds de Nobelprijs gelukkig nu een veelgelezen zwarte schrijfster.