Koopkrachtbedrog

Net zoals andere mensen zijn politici geneigd tot alle kwaad. Slagen zij er niet in de weerbarstige werkelijkheid naar hun hand te zetten, dan proberen volksvertegenwoordigers zichzelf en hun kiezers te begoochelen met drogredeneringen, zich zo nodig willens en wetens beroepend op onjuiste en misleidende cijfers. De juistheid van de stelling valt te illustreren met het kwistig en ongepast gebruik dat in de vaderlandse politiek wordt gemaakt van 'koopkrachtplaatjes'. Een kwart eeuw geleden maakte het Centraal Planbureau voor het eerst een zogeheten koopkrachtoverzicht. Deze daarna met grote regelmaat gepubliceerde overzichten proberen een indruk te geven hoe de koopkracht van bepaalde groepen zich - rekening houdend met de inflatie - ontwikkelt door loonstijgingen en veranderingen in de fiscale en de sociale wetgeving. Hoewel zij beter kunnen weten, omdat hun ambtelijke adviseurs waarschuwen tegen misbruik en oneigenlijk gebruik ervan, klampen politici zich vast aan de veronderstelling dat koopkrachtoverzichten een betrouwbaar beeld geven van de inkomensontwikkeling van alle mogelijke groepen in de samenleving.

Aanvankelijk stond de 'modale werknemer' centraal in overzichten van het Planbureau. Hij is een kostwinner met twee kinderen op de basisschool, die dit jaar bruto ongeveer 47.000 gulden verdient en daarom bijna de maximale ziekenfondspremie betaalt. In de loop van de tijd zijn koopkrachtoverzichten ook gemaakt voor steeds meer andere typen inkomensontvangers. De reden lag in de bijkans onverzadigbare informatiehonger van beleidsmakers, die via inkomensplaatjes greep wilden krijgen op het inkomensbeeld in een later jaar. Koopkrachtoverzichten staan echter ver van de werkelijkheid af. Nederland telt meer dan zes miljoen huishoudens. Daarvan passen er welgeteld tienduizend (0,17 procent) in het modale gezinsprofiel. De modale man blijkt inmiddels een bedreigde diersoort te zijn, die binnenkort wettelijk zal worden beschermd. Bovendien wordt het inkomensbeloop van huishoudens in het dagelijks leven voor zeker driekwart bepaald door factoren die de opstellers van koopkrachtoverzichten systematisch verwaarlozen, zoals huwen, echtscheiding, de aankoop van een eigen woning, verandering van baan of overgang naar een uitkeringssituatie. Dit maakt de overzichten ongeschikt om er veranderingen in de personele inkomensverdeling mee te beschrijven.

Dit blijkt wanneer koopkrachtcijfers van het Planbureau worden vergeleken met gegevens over de werkelijk verdiende inkomens. De voor deze exercitie benodigde gegevens worden - met onvermijdelijke vertraging - gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Volgens het koopkrachtoverzicht gingen modale werknemers er tussen 1988 en 1991 gemiddeld 1,5 procent per jaar op vooruit. In feite blijkt de koopkracht van modale werknemers in deze periode ruim dubbel zo veel te zijn toegenomen (met gemiddeld 3,8 procent per jaar). De plaatjes tonen kennelijk een te zwartgallig beeld, dat bovendien de zeer grote spreiding in koopkrachtveranderingen verduistert. Sommige modalen gaan er jaarlijks geweldig op vooruit, anderen zien hun inkomen kelderen. Tien procent van de in 1988 modale huishoudens verloor in de daaropvolgende drie jaar gemiddeld acht procent koopkracht per jaar. Anderzijds ging tien procent van de oorspronkelijk modale huishoudens er tussen 1988 en 1991 jaarlijks gemiddeld zestien procent op vooruit.

De gunstiger koopkrachtontwikkeling van werkelijk bestaande huishoudens kan op verschillende manieren worden verklaard. Al na drie jaar blijkt ruim een derde van de oorspronkelijk modale huishoudens die positie te zijn kwijtgeraakt. Negentien procent door veranderingen in de huishoudelijke situatie (scheiding, overlijden, kinderen verlaten het huis) en nog eens achttien procent, doordat de echtgenote inmiddels is gaan werken. In deze laatste huishoudens stijgt het inkomen fors. Ook van de resterende tweederde van de modale huishoudens ligt de gemiddelde koopkrachtverandering in werkelijkheid nog altijd ruim een procentpunt boven die volgens het koopkrachtoverzicht. Dit komt grotendeels door leeftijdseffecten, promoties en dergelijke ('incidenteel').

De grote spreiding rondom het gemiddelde betekent dat koopkrachtoverzichten niet geschikt zijn als middel om veranderingen in de personele inkomens(verdeling) te beschrijven; niet van jaar op jaar en zeker niet gedurende een reeks van jaren. De waarde van het koopkrachtoverzicht slinkt verder, doordat al binnen drie jaar ruim een derde van de huishoudens niet langer past in het modale profiel door een inmiddels veranderde huishoudenssamenstelling of doordat de echtgenote buitenshuis is gaan werken. Niet alleen modale werknemers ontspringen het koopkrachtoverzicht. Ook sociale minima, het dubbelmodale salariaat en andere door Haagse politici omarmde categorieën kennen in werkelijkheid een inkomensdynamiek die alle perken van het gebruikelijke koopkrachtoverzicht te buiten gaat.

Het is daarom treurig, dat politici hun oordeel over de inkomensgevolgen van voorgenomen beleid tot op de dag van vandaag hoofdzakelijk baseren op de uitkomst van koopkrachtoverzichten. Ook op zichzelf bezien forse inkomensgevolgen van allerlei overheidsmaatregelen gaan op in de veel sterkere inkomensdynamiek die huishoudens door andere oorzaken ervaren. Het gebruik van koopkrachtoverzichten bij de voorbereiding van overheidsbeleid moet daarom worden verboden.