Het heilige bos van de Baduy

Gaan stammen die in het oerwoud leven nu verantwoord om met de natuur of juist niet? Zijn zij ecologen avant la lettre of is dit een romantische visie die voortkomt uit een westerse behoefte aan nieuwe inspiratiebronnen?

Het jaar 1993, door Unesco uitgeroepen tot het jaar van de inheemse volken, is alweer bijna voorbij. Op de valreep organiseerde het Centrum voor Niet-Westerse Studies in Leiden vorige week een seminar met het thema 'Tribale groepen en de natuur', met speciale aandacht voor Indonesië.

In Indonesië wonen ongeveer 250 verschillende tribale groepen. De meesten leven, meer of minder toegankelijk, in het tropisch regenwoud, waar zij jagen en velden aanleggen. Sinds mensenheugenis hebben zij zo in hun bestaan voorzien. Maar in het huidige tijdsgewricht is dit minder vanzelfsprekend geworden en knabbelen de houtkap en landontginning aan de grenzen van hun territorium. Daardoor is de vraag actueel geworden of deze bevolkingsgroepen zelf hun natuurlijke omgeving wel verantwoord beheren. Zij zijn immers vaak gevestigd in streken die vanuit ecologisch gezichtspunt van cruciaal belang zijn, zoals de kwetsbare bovenloop van de grote rivieren.

De meeste stamsamenlevingen van Indonesië leven op Sumatra, Kalimantan, en de oostelijke eilanden, maar ook op het dichtbevolkte Java heeft zich een eigenzinnige tribale gemeenschap van zo'n vijfduizend mensen weten te handhaven: de Baduy. Op nog geen 150 kilometer ten zuidwesten van de hoofdstad Jakarta hebben zij, in de luwte van de geschiedenis, hun karakteristieke leefwijze weten te bewaren. Hier, in het gebergte van Multatuli's Lebak in Banten, leven zij zoals hun voorouders dit vóór hen deden.

Wie het Baduygebied betreedt waant zich in een andere wereld. Niets herinnert hier aan het volle Java met drukke markten, schreeuwende radio's en toeterende auto's. Smalle voetpaden kronkelen zich door het gebergte en voeren naar eenvoudige dorpen. Huizen zijn opgetrokken uit gevlochten bamboe met een dakbedekking van palmblad. Naast het bruin en groen van de natuur springen alleen blauw-zwart en wit in het oog, de enige kleuren in de traditionele Baduy-dracht. De eenvoud van de kleding weerspiegelt zich in een sober huishouden. Nergens stoelen of tafels, geen matras of kussen, geen borden, glazen of plastic gerei. Men zit op de grond, slaapt op een mat, eet van een palmblad en drinkt uit een halve klapperdop. Dit betekent niet dat de Baduy de produkten van de moderne tijd niet kennen; op de markten in de omgeving is van alles te koop. Maar de adat, de voorouderlijke leefregels, staat de aankoop van deze goederen niet toe. De voorvaderen kenden deze waar immers evenmin. Een veel gehoorde Baduy spreuk luidt: “Wat lang is, mag niet verkort worden, wat kort is, niet verlengd.” Zo blijft alles bij het oude.

De behoudzucht van de Baduy kenmerkt ook hun houding ten aanzien van de natuur. Hun hoofdvoedsel, rijst, verbouwen de Baduy volgens de methode van de zwerflandbouw. Een stuk land wordt afgebrand, eenmalig beplant om vervolgens weer tot oerwoud te worden en zijn vruchtbaarheid te herwinnen. De adat verbiedt de aanleg van geïrrigeerde rijstvelden, want 'de aarde mag niet worden gekeerd en de waterwegen mogen niet worden veranderd'.

Niet al het land van de Baduy kan voor de rijstbouw worden gebruikt. Het zuidelijk deel van hun gebied is bedekt met oerbos. Hier mag men geen veld aanleggen, er mag zelfs geen boom worden gekapt. Buitenstaanders mogen dit gebied nooit betreden en ook de Baduy zelf dringen maar zelden in het bos door. In het hart van dit woud liggen de bronnen van de Ci Ujung, een rivier die heel noord Banten doorstroomt en de rijstvelden van de boeren in de vlakte bevloeit. In dit brongebied ligt het heiligdom van de Baduy. Het is opgebouwd uit terrasvormige steenstapelingen met enkele rechtopstaande megaliten. Het heiligdom beschouwen de Baduy als de verblijfplaats van hun voorvaderen. Hier worden eens per jaar gebeden gezegd en offers gebracht, en krijgen de bezoekers door middel van bepaalde tekens - bijvoorbeeld de groeiwijze van mos op een steen - aanwijzingen over de toekomst.

Het heiligdom, de bronnen en het hele woud eromheen gelden als strikt taboe. De Baduy zeggen, dat wanneer zij de voorouderlijke leefregels zouden verlaten en het heilige bos zouden bezoedelen de goddelijke machten vertoornd zouden raken; 'vulkanen zouden uitbarsten en rivieren overstromen'.

Men zou kunnen concluderen dat de Baduy, door de rust van de geesten bij de bron te garanderen, voorkomen dat het woud wordt gekapt en de grond erodeert en dat de waterstroom naar het noorden in gevaar wordt gebracht. Het is echter twijfelachtig of, zoals wel is aangenomen, deze handelswijze voortkomt uit een bewust ecologisch inzicht. Dat bepaalde taboes ecologisch effectief zijn is duidelijk. Maar garandeert dit ook dat de regels in een veranderende situatie zinvol worden aangepast?

De recente geschiedenis van de Baduy lijkt aan te wijzen dat dit niet altijd het geval is. De laatste decennia is de bevolkingsdichtheid in hun gebied enorm toegenomen. Door het extensieve landgebruik, inherent aan de methode van de veldwisselbouw, kampen zij tegenwoordig met nijpende landtekorten. Twee oplossingen dienen zich aan, die echter beide een ernstige overtreding van de traditie betekenen. Of men gaat toch over tot de aanleg van geïrigeerde rijstvelden (waarmee de grond veel intensiever benut kan worden), of het heilige bos moet het ontgelden. In het eerste geval moeten weliswaar nieuwe methoden worden toegepast, maar verstrekkende gevolgen voor de waterhuishouding van het gebied zal de aanleg van sawa's niet hebben. Met de aantasting van het bos in het brongebied dreigt echter wel de ecologische balans van het gebied verstoord te raken.

De Baduy kozen voor de tweede optie. Aan het einde van de jaren tachtig begon men met het aanleggen van velden in het sacrale woud. Mogelijk ervoer men het alternatief van een nieuwe methode - het aanleggen van sawa's - als een te grote omschakeling en een meer evidente overtreding dan het gradueel uitdunnen van het bos. Begrijpelijk is de afweging van de Baduy hiermee wel, ecologisch verstandig is zij niet.

Als de Baduy niet oppassen zal hun oude profetie bewaarheid worden en 'zullen rivieren overstromen'.