Grote openbaarheid van gegevens strijdt met medisch beroepsgeheim

De grens van het recht op privacy in de gezondheidszorg is overschreden, meldde de Leidse epidemioloog J.P. Vandenbroucke onlangs. Dat is een misvatting, zegt nu P.J. Hustinx, voorzitter van de Registratiekamer. Het recht op privacy moet juist extra worden beschermd omdat het medisch beroepsgeheim dreigt te vervagen.

De Leidse hoogleraar klinische epidemiologie J.P. Vandenbroucke betoogde op 30 november op deze pagina dat de grens van het recht op privacy in de gezondheidszorg niet alleen is bereikt, maar reeds duidelijk is overschreden. De oorzaak daarvan zou gelegen zijn in de Wet persoonsregistraties. In de praktijk zou het recht op privacy daardoor zo zijn versterkt dat de maatschappelijke controle en kwaliteitsborging van de gezondheidszorg in het nauw komen. Het bewijs voor deze stelling meent hij te kunnen putten uit twee uitspraken van de Registratiekamer, de onafhankelijke instelling die is belast met het toezicht op de naleving van die wet. In de visie van Vandenbroucke zou het tijd worden om de huidige privacywetgeving vanaf de basis aan te passen.

Dit betoog berust op een misvatting: de door Vandenbroucke gesignaleerde problemen hebben inderdaad te maken met de nieuwe privacywetgeving, echter, alleen maar omdat het in de medische traditie verankerde beroepsgeheim in die wetgeving onverkort is gehandhaafd. Zijn betoog is een typisch voorbeeld van een verschijnsel dat zich vooral bij onderzoekers en beleidsmakers op dit terrein blijkt voor te doen en dat moeilijk anders kan worden betiteld dan als normvervaging rond het medisch beroepsgeheim.

Het medisch beroepsgeheim zoals wij dat kennen berust op de overtuiging, dat een ieder zich moet kunnen wenden tot een hulpverlener in de gezondheidszorg zonder de vrees dat wat daarbij aan die hulpverlener wordt toevertrouwd, buiten hem om aan anderen bekend zou kunnen worden. Het gaat hierbij om een zaak van zoveel gewicht, dat deze vanouds met speciale waarborgen is omgeven en dat andere belangen daarvoor onder omstandigheden moeten wijken. De basis hiervoor ligt niet alleen in de bescherming van de belangen van individuele patiënten, maar ook in het algemeen belang dat is gemoeid met een goed functionerende gezondheidszorg.

Het medisch beroepsgeheim is overigens niet absoluut en bovendien onderhevig aan ontwikkeling. Wat het medisch beroepsgeheim inhoudt, wordt mede bepaald door de opvattingen binnen de betrokken beroepsgroep, aanbevelingen van de KNMG, uitspraken van de tuchtrechter en dergelijke. Ook de wetgever speelt daarbij een belangrijke rol. Zo ligt er nu een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer waarin de verhouding tussen arts en patiënt nader wordt omschreven (Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst, WGBO). In brede kring wordt er van uit gegaan dat dit wetsvoorstel uitdrukking geeft aan de huidige opvattingen over het medisch beroepsgeheim. Kort gezegd betekent dit dat een behandelend arts geen inlichtingen aan derden verstrekt, tenzij een wettelijke regeling daartoe verplicht, de patiënt zijn toesteming heeft gegeven, of de verstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van de behandelingsovereenkomst.

Dat laatste kan zich voordoen bij collegiale samenwerking en andere vormen van directe betrokkenheid bij de uitvoering van een behandelingsovereenkomst. Het kan zich ook voordoen bij de financiële afwikkeling van de overeenkomst. In veel gevallen zullen daarvoor gegevens moeten worden verstrekt aan het ziekenfonds. Daar is niets op tegen, voor zover dat gegevensverkeer beperkt blijft tot de informatie die voor die financiële afwikkeling noodzakelijk is, bijvoorbeeld om te kunnen controleren of terecht aanspraak wordt gemaakt op betaling. Anders wordt het echter, als verzekeraars en ziekenfondsen ook inlichtingen willen hebben om de gang van zaken in de gezondheidszorg meer in het algemeen te volgen en te beïnvloeden. Dat motief lag ten grondslag aan de verstrekking van ontslagdiagnoses, waarover de Registratiekamer eerder dit jaar een rapport heeft uitgebracht. In dat rapport kwam zij tot de conclusie, dat die verstrekking bij gebrek aan een toereikende wettelijke basis of toestemming van de patiënt, in strijd was met de regels van het medisch beroepsgeheim.

Bij de totstandkoming van het Vijf Partijen Akkoord in de gezondheidszorg in 1989 is rekening gehouden met de mogelijkheid dat het desbetreffende onderdeel van het akkoord strijdig zou zijn met de geldende privacywetgeving. Voor dat geval was bepaald, dat volstaan zou kunnen worden met gegevens die niet tot individuele patiënten herleidbaar zijn. Het medisch beroepsgeheim zou in dat geval informatieverstrekking niet in de weg staan. In de opvatting van de Registratiekamer kan dan ook worden teruggevallen op die afspraak, en zou er alleen aanleiding kunnen bestaan voor een wetswijziging indien in de praktijk de noodzaak daartoe zou blijken.

Ook het bezwaar van de Registratiekamer tegen de ondersteunende rol van de apotheker bij de griepvaccinatie komt niet voort uit nieuwe wetgeving, maar hangt direct samen met het beroepsgeheim. De apotheker heeft tot taak de kwaliteit van de geneesmiddelenvoorziening te bewaken. In dat kader mag hij informatie uitwisselen met de huisarts, maar daarbuiten geldt ook voor hem een geheimhoudingsplicht. Algemeen wordt ervan uitgegaan dat voor gegevensuitwisseling in het kader van de medicatiebewaking de toestemming van de patiënt mag worden verondersteld. Het doorgeven van namen voor de griepprik heeft echter niets met medicatiebewaking te maken, zodat hiervoor toestemming zal moeten worden gevraagd. Het nut van de griepprik staat hierbij niet ter discussie.

Het belang van onderzoek naar de bijwerkingen van geneesmiddelen nadat zij op de markt zijn gebracht, kan alleen maar worden onderschreven. De risico's zijn immers evident. Maar ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt is van groot belang. Het is de kunst het een met het ander in evenwicht te brengen volgens de spelregels van wet en beroepsgeheim. Vaak zal volstaan kunnen worden met gegevens die niet tot de patiënt zijn te herleiden. Wanneer echter voor het melden van bijwerkingen van geneesmiddelen wel patiëntengegevens nodig zijn, zal ofwel een wettelijke verplichting in het leven moeten worden geroepen, ofwel de toestemming van de patiënt dienen te worden gevraagd.

Vergelijkbaar is de situatie bij het wetenschappelijk onderzoek in de gezondheidszorg. Voor het gebruik van gegevens voor wetenschappelijk onderzoek waarbij de identiteit van de patiënt bekend is of zonder veel moeite kan worden achterhaald, dient van oudsher toestemming te worden gevraagd. Alleen wanneer het vragen van toestemming redelijkerwijs onmogelijk is, kan hiervan worden afgezien.

Het al genoemde wetsvoorstel WGBO formuleert hiervoor een aantal voorwaarden. Dat sommige onderzoekers van deze regeling zijn geschrokken, zou er op kunnen wijzen dat niet elke onderzoeker zich ten volle bewust is van de beperkingen die het medisch beroepsgeheim ook nu al oplegt.

De normvervaging die zich rond het medisch beroepsgeheim aftekent, kan desastreuze gevolgen hebben voor het functioneren van de gezondheidszorg op de lange termijn. Wanneer de patiënt er niet langer op kan vertrouwen dat buiten hem om geen persoonlijke gegevens aan anderen worden verstrekt, wordt vrijuit spreken uiteindelijk belemmerd en als gevolg daarvan goede hulpverlening onmogelijk.