Gatt is juist goed voor arme landen

Handelsliberalisering volgens de regels van het GATT vindt plaats volgens het principe van non-discriminatie. De betekenis van dit principe kan moeilijk worden overschat. Door non-discriminatie kunnen landen op gelijke voorwaarden deelnemen aan het internationale handelsverkeer.

Geheel anders verloopt het handelsbeleid van individuele landen en van bijvoorbeeld de EG. Om politieke redenen geeft men de voorkeur om wèl te discrimineren in handelsrelaties, al noemt men het dan handelspreferenties, vrijwillige exportbeperkingen en bilaterale handelsakkoorden.

Er is in de economische wetenschap een inzicht dat de voordelen van non-discriminatie boven discriminatie duidelijk maakt. Dit inzicht is reeds door Adam Smith in 1776 verwoord: Specialisatie is begrensd door de omvang van de markt. De voordelen van specialisatie tussen mensen, bedrijven en landen springt dadelijk in het oog door onze maatschappij te vergelijken met een primitieve samenleving, waarin een ieder de voorkomende werkzaamheden (grotendeels) zelf moet verrichten. Zulk een samenleving kent geen specialisatie en is dus arm. Specialisatie kan zich uitsluitend ontwikkelen bij een bepaalde omvang van de markt. Bij een productie van enkele auto's per jaar, loont het niet om een speciale fabriek voor schokbrekers op te zetten, bij een productie van 1 miljoen auto's wel. Met de omvang van de markt neemt de specialisatie toe.

Door de wereldhandel te reguleren via de GATT met een toenemend aantal ledenlanden, sectoren en producten, wordt de omvang van de wereldmarkt bevorderd en daarmee de specialisatie tussen landen in productie en export. De voordelen daarvan blijken uit een vergelijking tussen de welvaartsontwikkeling in de jaren dertig met protectie en de jaren zestig met handelsliberalisatie.

Uiteraard brengt een open wereldhandelssysteem mee, dat ieder land zich moet aanpassen bij veranderende concurrentieverhoudingen en verschuivingen in de specialisatie tussen landen. Dit betekent dat de textiel en scheepsbouw grotendeels uit Nederland verdwenen zijn en dat moderne sectoren naar voren zijn gekomen. In Oost-Azië zijn arbeidsintensieve industrieën verschoven van Japan via Taiwan naar Maleisië.

In zijn laatste bijdrage voor NRC Handelsblad (20 oktober) had Kees Caljé een interview met professor A. van der Zwan. Deze laatste pleitte voor protectie om de werkgelegenheid in Europa te behouden. Het is een slecht recept. De ervaringen met het zich afsluiten van de wereldmarkt door het keizerrijk China vroeger, en, meer recent, door de Sovjet-Unie en ontwikkelingslanden in Latijns Amerika, zouden daarbij toch een duidelijke taal moeten spreken. Kennelijk is Van der Zwan vergeten dat professor J. Tinbergen in de jaren zestig al herhaaldelijk schreef, dat al te plotseling concurrentieverlies van een sector door goedkope invoer inderdaad aanleiding kan geven tot sociale en economische kosten, die ongewenst zijn, maar dat protectie daarbij een slecht medicijn is. Veel beter is enige geleidelijkheid te bereiken door tijdelijke subsidies op loonkosten en het opzetten van herscholingsprogramma's.

Omdat handelsliberalisatie onder het GATT verloopt volgens het principe van non-discriminatie, heeft een constructief einde van de Uruguay Ronde positieve effecten op de deelnemende landen (maar zoals hiervoor gezegd zeker niet op alle sectoren in elk land). Het is dan ook verbazingwekkend dat in NRC Handelsblad van 8 december Bram van Ojik beweert, dat de ontwikkelingslanden op het GATT moeten toeleggen.

Het OECD Development Centre in Parijs, jarenlang onder leiding van onze landgenoot L.J. Emmery, heeft nog onlangs de voordelen berekend van een handelsliberalisering, zoals voorgesteld in de Uruguay Ronde, en die wereldwijd geraamd op bijna 200 miljard dollar. De helft daarvan wordt gerealiseerd in ontwikkelingslanden, ver boven hun aandeel in de wereldhandel, dat ongeveer 20 procent is. Het IMF heeft soortgelijke berekeningen gemaakt.

Er zijn inderdaad verscheidene ontwikkelingslanden die van een meer open wereldeconomie nadeel ondervinden. Dit zijn vooral de ontwikkelingslanden waar de protectie tegen invoer vele malen hoger is dan in de industrielanden. Belemmerde invoer heeft dure eigen produktie tot gevolg en jaagt de exportsector op kosten. De Wereldbank berekende onlangs, dat de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara, hun uitvoer jaarlijks met 16-30 procent tekort doen door hun importprotectie niet te verminderen. Bij een juist eigen aanbodbeleid zouden ook deze ontwikkelingslanden van een succesvolle Uruguay-Ronde profiteren.