Eurocraten moeten hun visies funderen op feiten

Voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie heeft voorspeld dat een oplossing van het werkloosheidsprobleem de Unie weer op de rails kan zetten. Toch was zijn plan om met nieuwe leningen enorm te investeren in de Europese infrastructuur eerder bedoeld als oplossing voor Brussels bureaucratische twisten dan voor Europa's ware problemen.

Terwijl de Europese Unie het grootste deel van dit jaar besteedde aan droge discussies over het Verdrag van Maastricht, trachtte de Brusselse topconferentie terug te keren naar een onderwerp dat van wezenlijk belang is voor de meeste Europeanen: het scheppen van banen voor werklozen. Deze poging resulteerde vooral in een lang communiqué.

In de jaren tachtig beleefden de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten een vrijwel vergelijkbare economische groei, maar in de EG groeide de werkgelegenheid maar met zo'n 0,8 procent per jaar, vergeleken bij een gemiddelde van 2,5 procent per jaar in de VS. De ontwikkeling is duidelijk: terwijl in Noord-Amerika de afgelopen twintig jaar 36 miljoen nieuwe banen zijn gecreëerd, meest in de particuliere sector, wist de EG maar 8 miljoen banen te scheppen, en dat hoofdzakelijk in de publieke sector.

Door de verschuiving van de industrie naar de dienstensector is de vraag naar ongeschoolde arbeiders afgenomen, een verschijnsel met tegenstrijdige gevolgen. Aan de pluskant geeft de dienstensector vrouwen een kans op de arbeidsmarkt: in Groot-Brittannië bij voorbeeld is de werkende bevolking nu gelijkelijk verdeeld over mannen en vrouwen. Maar inmiddels zijn de meeste nieuwe banen laagbetaald en hebben ontslagen werknemers maar weinig kans om snel nieuw werk te vinden: de helft van de werklozen in de EU is al langer dan een jaar zonder baan, acht maal zoveel als het vergelijkbare Amerikaanse cijfer.

Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie en een man met een scherp politiek inzicht, heeft terecht voorspeld dat een oplossing voor de werkloosheidscrisis de Unie weer op de rails zou kunnen zetten. Maar toch was zijn plan om met nieuwe leningen enorme investeringen te doen in de Europese infrastructuur eerder bedoeld als oplossing voor de Brusselse bureaucratische twisten in plaats van voor Europa's ware problemen.

Nergens verklaart Delors in zijn rapport de fundamentele onverenigbaarheid van zijn plan met het vaste voornemen van de Unie zich te houden aan de strenge financiële richtlijnen uit het Verdrag van Maastricht. Niemand liet zich van de wijs brengen door zijn voorstel deze richtlijnen via een nieuw, ingenieus soort lening te omzeilen, ook niet de Europese burgers, voor wie dit hele debat zinloos is.

Juist toen de regeringsleiders bijeenkwamen in Brussel, werden de uitslagen van de jongste opiniepeilingen in de Unie bekendgemaakt. Hoewel de Nederlanders nog steeds het geestdriftigst zijn over de Unie, zou het de helft van de Belgen, Engelsen, Spanjaarden en Portugezen, en 40 procent van de Duitsers niets kunnen schelen als hun Unie morgen werd opgedoekt. De oorzaken hiervan liggen veel dieper dan de huidige economische recessie alleen.

De Nederlandse en Deense regeringen hebben uiteraard gelijk wanneer zij aandringen op groter openheid in het reilen en zeilen van de Unie. Maar ze hebben ongelijk als ze ervan uitgaan dat men de beraadslagingen in Brussel maar aan de openbaarheid hoeft prijs te geven en de publieke opinie zou plotseling geïnteresseerd raken. Hoeveel Europeanen zouden er bij voorbeeld uit zichzelf kijken naar een televisiedebat over de berekening van de 'groene ecu' voor de aanvullende compensatie die de Franse boeren zojuist vanaf 1997 is toegezegd indien het GATT-akkoord er komt? Meer openheid, hoe groot de behoefte daaraan ook is, zou geen publieke steun genereren maar integendeel het beeld van de EU als een gigantische bureaucratie op een automatische piloot, wel eens kunnen versterken.

Al veel te lang is het debat over de toekomst van de Unie een dialoog tussen doven. Degenen die zichzelf als 'federalisten' beschouwen, wensen zich niet een Europa naar analogie van het Amerikaanse federale model (waarvan ze doorgaans maar weinig weten), maar streven naar iets dat in wezen een grotere Europese staat is, met een traditionele centrale macht, gevormd door enkele rijke landen op de westpunt van het continent. Degenen die pleiten voor een lossere Unie, die ook gewezen communistische landen omvat, negeren gewoonlijk de constitutionele consequenties die elke uitbreiding zou opleveren. Bovendien eisen de kleinere lidstaten, doorgaans de vurigste pleitbezorgers van een compactere Unie, meer zeggenschap over de stemprocedures, iets wat vrijwel onmogelijk is wil de Unie efficiënt functioneren.

Nog belangrijker is dat de Europese regeringsleiders hun eigen plannen bepleiten met onderling tegenstrijdige verklaringen. De Denen kregen te horen dat het Verdrag van Maastricht hun soevereiniteit niet zou aantasten, maar zodra ze bij een tweede referendum hun goedkeuring gaven werden de gesprekken over een federaal Europa hervat. In het Verenigd Koninkrijk werd het verdrag aangeprezen als het minste van diverse vreselijke kwaden; in Frankrijk werd hetzelfde verdrag voorgesteld als het enige mechanisme waarmee een machtig Duitsland in toom kon worden gehouden, terwijl in Duitsland 'Maastricht' werd uitgelegd als het beste verdrag om de Duitsers tegen zichzelf te beschermen.

Deze kakofonie van pleidooien voor het eigen belang heeft één gemeenschappelijke ondertoon: iedereen meent dat één redenering de juiste is, en dat er maar één geëigende weg is naar de 'constructie' van Europa. Dat heeft merkwaardige gevolgen. Enerzijds worden grootse visioenen tot minieme stapjes, omdat niemand het hele Europese bestel meer durft open te breken: het Verdrag van Maastricht is als zelfstandige tekst onleesbaar omdat het bestaat uit een derde laag amendementen op het meer dan dertig jaar oude Verdrag van Rome. Anderzijds verworden politieke keuzes waarover een openbare discussie nodig is tot dogma's, nieuwe godsdiensten, die alleen ketters nog aan de kaak durven stellen. Iedereen weet dat de economische voorwaarden voor een monetaire unie niet in 1999 kunnen worden verwezenlijkt, maar slechts weinig politici zijn zo moedig dat te erkennen. In tal van lidstaten zijn de confrontaties tussen politieke partijen niet langer ideologisch van aard; het politieke debat is verworden tot een bureaucratisch handgemeen tussen individuele personen die van zichzelf beweren dat zij het oprechtst geloven in de godsdienst van de dag. De Socialistische Partij van Frankrijk werd bij de jongste verkiezingen vrijwel weggevaagd, maar de nieuwe regering voert nog precies hetzelfde beleid. Het valt de kiezers in Europa niet kwalijk te nemen dat zij weigeren warm te lopen voor dit soort politiek.

Er bestaat een uitweg uit de huidige theologische twisten: een zojuist verschenen rapport A proposal for a European Constitution van de European Constitutional Group in Londen toont aan dat men wat betreft de Unie tegelijkertijd een ketter en een oprechte radicaal kan zijn. Dit rapport, samengesteld door een commissie van gerenommeerde juristen op het gebied van constitutioneel recht, gaat uit van het axioma dat de instemming van de bevolking, en niet onderhands politiek gemarchandeer, de grondslag van de Unie moet zijn. Een tweede uitgangspunt is dat het verwerven van die instemming onmiddellijk moet beginnen, ruim vóór de conferentie die in 1996 de interne aangelegenheden van de Unie moet onderzoeken en die moet leiden tot de aanvaarding van een Europese constitutie. Die constitutie moet de weerslag zijn van fundamentele Europese opvattingen; daarnaast moet ze een machtsstrijd tussen diverse Europese instanties gaan voorkomen.

Een constitutioneel bestel moet echter strak genoeg zijn om het gemeenschappelijk belang te dienen, maar tegelijk ruim genoeg om nieuwe leden te kunnen opnemen. Bovendien zou de Unie er niet naar moeten streven alle taken te vervullen: de relaties tot de NAVO inzake veiligheidskwesties en met de Raad van Europa inzake de mensenrechten zouden expliciet worden vastgelegd in de voorgestelde constitutie.

Grondwetsvoorstellen voor een verenigd werelddeel zijn traditioneel de preoccupatie van een ieder die voor visionair wil doorgaan. Het onderhavige rapport wijkt van die traditie af, niet zozeer in zijn bijzonderheden, die meer dan 100 pagina's beslaan, als wel in zijn fundamentele conceptie. De Groep is van mening dat de bevolking van Europa zich alleen dan achter een duurzame constitutie zal opstellen wanneer die de economische en de politieke voordelen van de EU te zamen brengt. Het voorstel behelst daarom een constitutionele constructie waarin enerzijds de fundamentele mensenrechten en vrijheden worden beschermd en anderzijds rekening wordt gehouden met nationale gevoeligheden. De Groep bepleit de instelling van een parlement bestaande uit twee Kamers, waarvan de ene zou worden samengesteld uit afvaardigingen van de nationale parlementen (zodat de lidstaten Brussels doen en laten beter in het oog kunnen houden), en een speciaal Hof van Cassatie bevoegd inzake geschillen tussen instanties van de Unie. En ten slotte verwerpt de Groep de formulering van economische doelstellingen: de nadruk moet liggen op processen die leiden tot groter welvaart en saamhorigheid, en niet op rigide economische streefdoelen waarvan geen regering de verwezenlijking kan garanderen, en zoals die nu zijn vastgelegd in het Verdrag van Maastricht.

Alhoewel maar twee opstellers van het rapport Britten waren, hebben ambtenaren in Brussel het dadelijk van de hand gewezen als een 'Angelsaksische schepping', een term die bijna synoniem is met aartsketterij. Zoals de top in Brussel laat zien, geven de bureaucraten daar er nog altijd de voorkeur aan Europa's problemen op te lossen door het ontwerpen van steeds grootser plannen die niet zullen doorgaan, te financieren met reusachtige sommen geld die er niet zullen komen. De eigenlijke tweedeling in het huidige Europa is niet die tussen hen die de Unie willen torpederen en hen die haar willen bevorderen, maar tussen hen die fictie aanzien voor visie en hen die menen dat een open blik op de feiten aan de verwerkelijking van een visie moet voorafgaan. En de meerderheid van de Europese burgers? Die blijven zich zorgen maken over hun baan, zorgen waardoor employé's van Brussel niet of nauwelijks worden geplaagd.