De zoon die zijn moeder wreekte

De Amsterdamse politierechter had Willem Londenaar, automonteur van beroep, slechts een onvoorwaardelijke boete van vijfhonderd gulden opgelegd, maar hij voelde zich onschuldig en dus besloot hij in beroep te gaan bij het Amsterdamse gerechtshof. En daar zit hij nu voor zijn rechters, zonder advocaat, maar met zijn nieuwe vrouw op de achterste rij van het zaaltje. Hij is een slordig geklede, volkse man van begin veertig met een nogal nadrukkelijk vertoon van zelfvertrouwen. De wereld kan hem gestolen worden, als ze maar van hèm afblijven.

Zijn zus is op de gang achtergebleven. Gedrieën hadden ze ruim een half uur lang luid schertsend zitten wachten, maar zodra de rechtszaak begint, is Londenaar de ernst zelve. Het zit hem nog altijd erg hoog, die beschuldiging dat hij zijn vader mishandeld heeft. Ook zou hij een aantal foto's van zijn vader hebben vernield.

“Mishandeling van de vader wordt niet vaak vervolgd”, zegt de procureur-generaal (de aanklager), mevrouw mr. A. Korvinus, “omdat het moeilijk te achterhalen is. Maar de politie heeft in dit geval gezien welk letsel er is veroorzaakt.”

“Waarom bent u het niet eens met het vonnis van de politierechter?” vraagt mr. R. Torrenga, de strafkamerpresident van het gerechtshof.

“Omdat ik onschuldig ben”, zegt Londenaar. Vervolgens barst hij los in een minstens tien minuten durend betoog dat als een lawine op de vertegenwoordigers van de rechterlijke macht afkomt. Menig president zou Londenaar ongeduldig onderbroken hebben, maar Torrenga houdt niet van een strikt formele aanpak en laat de man uitrazen.

“Mijn vader was vroeger beroepsmilitair”, zegt Londenaar. “Hij kwam alleen in de weekends thuis. Dan vroeg hij meteen aan mijn moeder: wat is er van de week fout gegaan? Daar móest ze antwoord op geven. Daarna moest je als kind met je buik op de bank gaan liggen en kreeg je er met een stuk hout van langs. Dat is zo tot mijn vijftiende doorgegaan. Mijn moeder kreeg ook vaak op haar donder. Toen ik wat ouder was, heb ik tegen mijn vader gezegd: als je moeder nog één keer slaat, sla ik terug.

“Op een dag kom ik thuis en loopt moeder met zó'n oog rond. Ze was tegen de deur gelopen, zei ze me. Ik zeg: m'n neus, hij heeft je weer in elkaar geslagen. Maak nou geen problemen, zegt ze. Ik zeg tegen mijn vader: de volgende keer loop jij tegen die deur aan. Hij zegt niks terug, de lafbek.

“Afijn, mijn moeder wordt 61 jaar en ze krijgt een knobbeltje in haar borst. Ze blijkt terminaal en ze overlijdt op 13 april 1990. Een dag later, ik zweer het u, een dag later, op 14 april 1990, plaatst mijn vader al een huwelijksadvertentie. Ze waren 43 jaar getrouwd geweest!

“Maar het blijft je vader. Ik heb hem op verzoek van mijn moeder af en toe opgevangen, want hij was ook nog zwaar alcoholist. Soms woonde ik bij hem omdat hij niet tegen de eenzaamheid kon. Maar zodra hij een vrouw had, moest ik weer de deur uit.

“Na een tijdje krijgt hij kennis aan een Peruaanse. Die vrouw gaat een poosje in Bazel wonen en ik trek dan weer bij mijn vader in. In die tijd had ik zelf problemen met mijn eerste vrouw, dus ik kon wel wat steun gebruiken. Maar mijn vader begint me weer te treiteren. Op een dag in mei 1991 merk ik dat hij foto's van mijn moeder en mijn kinderen heeft weggegooid. Ik ga even weg om me in een café te verbijten.

“Als ik terugkom, verniel ik een aantal foto's van mijn vader. Ik ga naar zijn slaapkamer en duw hem achterover op bed. Meer niet. Een tijdje later vindt mijn vriendin hem naast het bed, hij ligt voorover. Ik zeg nog: maak niet zo'n komedie. Hij heeft daar zo'n tien minuten gelegen en opeens staat hij achter me, in zijn pak, strontlazerus, en hij stormt naar buiten, naar zijn auto, om bij de politie aangifte te doen. Een week later zegt ie tegen mij: we waren stom bezig, ik zal die aangifte intrekken. Maar een tijdje later word ik opeens opgeroepen door de rechtbank! Ik zeg tegen mijn zusje: wil jij voor mij een verklaring afleggen voor de rechtbank, want ik woon in Blokzijl en dat kost me een hele dag.”

“Blokzijl - waar ligt dat?” vraagt de president, hoewel hij van de generatie is die nog Roodeschool op de kaart in de klas heeft moeten aanwijzen.

“Bij Emmeloord”, zegt Londenaar, en zonder adem te scheppen belandt hij bij de apotheose van zijn pleidooi: “Mijn zusje kreeg amper een kans. Omdat ik een strafblad heb, werd ik bij voorbaat veroordeeld.”

“Volgens onze wetgeving kunt u zich bij de rechtbank niet laten vertegenwoordigen door een ander”, corrigeert de president hem droog. Dan: “Tegenover uw verhaal staat dat van uw vader. Volgens hem heeft u hem in zijn gezicht geslagen en geschopt. Hij had hevige pijn in zijn bovenbeen en de politie zag schaafwonden op zijn kin. Had hij schaafwonden?”

“Daar heb ik niet op gelet. Misschien is hij met zijn gezicht langs de bedrand gegaan. Ik heb in ieder geval niet geslagen.” Londenaar buigt zich enigszins voorover en voegt er op vertrouwelijke toon aan toe: “Maar, meneer de rechter, als ik het wèl had gedaan, had hij het zeker verdiend.”

“Ik zal dat niet beamen”, zegt de president. “Blijft het feit dat u hem een duw heeft gegeven.”

“Dat is waar.”

“En dat u foto's van hem hebt verscheurd.”

Londenaar haalt zijn schouders op. “Als ik nou eens oneerlijk was geweest, en ik had ontkend dat ik geduwd had, dan zou ik hier niet hebben gestaan. Want dan was het mijn woord tegen het zijne geweest. Maar ik ben nu eenmaal een eerlijk mens.”

“Zijn woord tegen uw woord - dat is niet helemaal waar”, zegt de president, “want de politie heeft schaafwonden gezien.” En alsof hij ook de eerlijkheid van de verdachte wil relativeren, somt hij meteen diens eerdere veroordelingen op: overtredingen van de vuurwapenwet, mishandeling, valsheid in geschrifte.

Tussen Londenaar senior en zijn twee kinderen zal het wel nooit meer goed komen. Pa zit nu in Peru bij zijn geliefde, en de enige keer dat hij wat van zich liet horen, was om zoon Willem per brief te belasteren bij zijn nieuwe schoonouders.

“Dat had me mijn relatie kunnen kosten”, zegt Londenaar.

“Ik begrijp dat u er vol van zit, maar u kunt hier niet al uw verdriet kwijt”, zegt de president.

De procureur-generaal noemt Londenaars verhaal oprecht, maar ze is het eens met de politierechter dat hij schuldig is. Toch komt ze met een lichtere eis: een voorwaardelijke boete van vijfhonderd gulden.

“Wat vindt u ervan?” zegt de president.

“Hij heeft het ernaar gemaakt. Wat hij met mijn moeder gedaan heeft...”

“U hoeft het niet nog een keer te vertellen.”

“Ik voel me niet schuldig.”

(Het vonnis, twee weken later: een voorwaardelijke boete van honderd gulden.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.