Twee werelden

Vroeger zag je in cafés bijna uitsluitend mannen. Vrouwen waagden zich zelden in die hengstige vertrekken. Niet dat vrouwen er werden geweerd of onvriendelijk ontvangen. Integendeel, zij werden er misschien met een grotere vreugde begroet dan in de zogenaamde lunchrooms, waar zij de boventoon voerden, zoals er in de hemel meer blijdschap is over één zondaar die zich bekeert dan over honderd zaligen.

In veel cafés zaten, vooral overdag, voornamelijk zakenlieden. Hun gesprekken moesten vroeg of laat winst afwerpen. De gezichten stonden stijf en ernstig, zoals het bij dit soort onderhandelingen past. Onder hun commerciële make-up hadden zij een eigen gezicht dat vrolijk, wreed, treurig of onverschillig was, al naar de aard van de bezitters, en waarvan je soms ineens een glimp of grijns opving.

In een dergelijk café zat ik eens op een vriendin te wachten. Mijn vriendin was aan de late kant, zoals gewoonlijk. Wij hadden afgesproken dat ik mij daar niet aan zou ergeren. Ik had haar een speelruimte toegestaan, een halfuur, als ik mij goed herinner. Ik vond, en vind het trouwens nog atlijd, al geweldig wanneer een vriendin komt en wat dankbaarheid betreft, durf ik het met een hond op te nemen. Bovendien ben ik uitstekend in staat mij te vervelen. Vergeet ook niet de zalige opwinding waarmee wij uitzien naar een ontmoeting die in onzekerheid is gehuld.

Het was stil in het café, een onaanzienlijke wintermiddag. Ik zat aan de zijkant, bij een raam dat uitzag op een nauwe donkere steeg. Het raam bevond zich bijna twee meter boven de bestrating van de steeg, zodat de voorbijgangers niet naar binnen konden kijken. Zij liepen in een diepte die hen aan mijn blikken uitleverde. Ik verwonderde mij over de afgrondelijke scheiding die een eenvoudige vensterruit kon aanbrengen. Het was alsof ik, door een scheur in het levensbehang, in het dodenrijk keek en schimmen zag voorbijgaan, overledenen, antipoden. Door het dubbele glas van de ramen drong zelfs het geluid van hun voetstappen niet tot mij door. Maar ook in de steeg was het stil, alsof de meeste schimmen een andere weg hadden gekozen.

Ineens zag ik een man en een vrouw aankomen. Vlak onder mijn raam bleven zij staan. De vrouw leunde tegen de blinde muur van de overkant. De man stond los van haar en praatte tegen haar. Zij luisterde, droevig, gekrenkt en onwillig. Zij onderbrak hem nu en dan met wat, naar de uitdrukking op haar gezicht en naar haar lipbewegingen te oordelen, een beschuldiging, een scheldwoord of een vloek moest zijn. Plotseling werd haar gezicht krampachtig vertrokken en sprongen tranen in haar ogen. Zij deed geen moeite ze weg te wissen, liet ze over haar wangen druppelen, langzaam en nadrukkelijk, met het pathos van een verbittering die haar schaamte heeft afgelegd.

De man haalde zijn zakdoek tevoorschijn, om haar gezicht af te drogen, maar zij sloeg zijn arm weg, stompte hem tegen de borst, liep, strompelde een paar passen bij hem vandaan. Hij volgde haar, begon opnieuw, onverdroten, zijn betoog of overreding, maar zweeg wanneer er iemand langskwam, praatte daarna weer voort. Zij luisterde niet meer naar hem. Zij had zich teruggetrokken in haar verdriet, zich erin verscholen, als een verkleumde vogel in zijn schamele veren.

Wat is er aan dit gesprek in deze donkere steeg voorafgegaan, vroeg ik mij af. Een vriendschap, een huwelijksleven, een gestolen liefde? Ik zou het nooit te weten komen, want het was ongebruikelijk om tegen het raam te tikken en deze mensen op mij attent te maken. Elk teken van mijn aanwezigheid zou hen verjagen en met hun wanhoop naar de grote verkeersstraat drijven, waaruit zij waren weggevlucht. Ik kon mij alleen stilhouden en toezien.

Waren zij de schimmen, de doorzichtige tegenvoeters? Of was ik het, wachtend in de ijle speelruimte van de tijd die ik mijn vriendin had toegestaan? Zij hadden hun radeloosheid om mij te bewijzen dat zij nog leefden. Ik was aan mijzelf overgelaten in de bange verwachting die aan elke dierbare ontmoeting voorafgaat.