Thyssen na schenking geëerd

DEN HAAG, 13 DEC. “Het is een kleinigheid. Ik heb hier in Den Haag het leven gekregen, en ik heb in dit land mogen wonen. Dat alles kan ik nooit terugbetalen.”. Op de revers van Hans Heinrich Baron Thyssen-Bornemisza, eigenaar van 's werelds beroemdste particuliere kunstverzameling - na die van de Britse vorstin -, prijkt de zojuist in het Mauritshuis uitgereikte Museummedaille. Deze zelden toegekende koninklijke onderscheiding, ingesteld in 1817 door koning Willem I, kreeg hij zaterdagmiddag in Den Haag als dank voor zijn 'kleinigheid', een flinke bijdrage voor de aankoop van 3,5 miljoen kostende Vaas met Bloemen, geschilderd door Jan. Davidsz. De Heem (1606-1683). Van de twintig bloemstillevens die resten van De Heem, was er tot voor kort geen enkele in Nederlands museumbezit.

“Nee, ik heb zo'n schenking nooit elders gedaan”, zegt Thyssen na afloop. “Als ere-voorzitter van de vriendenvereniging van het Mauritshuis hoorde ik dat dit schilderij te koop was. Een mooie kans om iets voor dit museum te doen. In mijn eigen collectie zit trouwens al een De Heem. Een andersoortige schenking was de restauratie van de vijftig fresco's van Fra Angelico in het San Marcoklooster in Florence.”

Vanaf zijn geboorte in 1921 tot 1939 woonde Thyssen in Den Haag. Na de scheiding van zijn ouders groeide hij daar vanaf zijn zevende levensjaar op in een in een ruim huis, waar het heel stil was. Een Duitse gouvernante ontfermde zich over hem. Zijn Duitse vader Heinrich Thyssen, die door een huwelijk met de Hongaarse barones Margit Bornemisza de Hongaarse nationaliteit kreeg, liet van verre weten wat de kleine 'Heini' te doen stond.

Zo'n jeugd levert toch geen prettige herinneringen op aan dit land? “Die heb ik zeker! Ik ging hier naar de Duitse school, waar ook kinderen van andere nationaliteiten op zaten, en ik had veel vrienden. We tennisten veel, gingen naar zee. Ik herinner me ook dat ik hier langs de Vijverberg fietste, maar ik heb, geloof ik, maar één keer het Mauritshuis bezocht. Nog steeds kom ik graag naar Nederland. Ik probeerde trouwens net vanuit het vliegtuig in Vlaardingen-Oost, een vroeger een bedrijf van me te ontdekken, maar het is daar helemaal volgebouwd.”

De leiding van Thyssens bedrijf, TBG Holding, een multinational in transport, handel en industrie, is inmiddels overgenomen door zijn oudste zoon. De baron zelf luistert als ere-voorzitter uit “psychologische motieven” alleen nog mee op vergaderingen. “Maar ik doe geen zaken meer. Ik koop ook geen werken meer voor de collectie. Mijn vrouw en ik kopen alleen nog voor ons plezier. Onze laatste aanwinsten zijn een winterlandschap van Pissarro en twee figuratieve werken van de modernere Amerikaanse kunstenaars Richard Estes en Richard Lindner. Voor dat doek van Lindner, een vrouw met papegaai, heb ik een jaar lang moeten onderhandelen. Nu heb ik het!”

De 'Bilderbaron', die onophoudelijk bespied wordt door zijn Spaans ogende veiligheidsagent, bezoekt zelden nog Lugano. Jarenlang waren daar op een fabelachtig landgoed zijn 1.400 kunstwerken ondergebracht. De stad lag dwars bij de uitbreiding van zijn Villa Favorita en na veel gehakketak besloot Thyssen zijn collectie over te brengen naar Madrid, waar nu sinds ruim een jaar bijna achthonderd werken - van Cranach tot Mondriaan - in het Palacio Villahermosa worden tentoongesteld.

Toch is de baron niet helemaal tevreden over de jaarcijfers van zijn 'nieuwe onderneming' in Madrid. “Er zijn 700.000 mensen geweest. Ik wil het volgend jaar een miljoen bezoekers halen, want er is jaarlijks zes miljoen dollar nodig voor onderhoudskosten. Mijn vrouw heeft in het museum een boekwinkel opgezet, niet groter dan de helft van deze zaal. De verkoop van boeken, catalogi, stropdassen en andere dingen blijkt meer op te leveren dan de toegangsbiljetten.”

Lugano is ook als woonoord definitief verruild voor “het Wassenaar van Madrid. Vroeger al ging ik liever naar mijn huis in Engeland, even buiten Oxford, dan naar Lugano. Het weer was daar altijd hetzelfde als in Nederland. Ik vond dat prettig, het was me vertrouwd.” Maar uit menig interview blijkt toch dat hij vooral trots is op zijn Hongaarse afkomst, herkenbaar naar zijn zeggen aan een grote mate van paniekbestendigheid en optimisme. Doet hij iets aan de problemen van de Hongaarse minderheden, die in Roemenië, Tsjechië en Joegoslavië als derderangs burgers worden beschouwd? “Ik trek me die kwestie zeer aan. Wist u dat ze daar Hongaren zomaar het land uitgooien en ze aan Hongaarse boeren gifstoffen als kunstmest verkopen? Daarom ondersteun ik de mensenrechten-activisten daar. Bij belangrijke vergaderingen zoals die in Genève wanneer over hulp aan Roemenië gepraat wordt, komen ze op voor de rechten van de Hongaren.”

Zijn gasten hebben de Gouden Zaal van museum het Mauritshuis inmiddels verlaten. Thyssens veiligheidsman staat nog steeds als een betonblok opgesteld, net zoals Johan Maurits van Nassau, het 17de-eeuwse kopie-beeld bij de entrée van het Mauritshuis. Thyssen schonk het eerder, maar is het blijkbaar vergeten. “Is het gesprek afgelopen?”, vraagt de baron wat ongeduldig. Ja, het is voorbij. “Mooi”, zegt hij, “dan kan ik het schilderij nu laten inpakken!” Zijn bewaker trekt krom van het lachen. Thyssen schatert het uit, werpt een laatste blik op de uitzinnig bloeiende tulpen van De Heem, opgesteld naast het spreekgestoelte, en maakt zich op voor een rondleiding langs Liefde, list en lijden, de Haagse historiestukken in het Mauritsmuseum.