Roze dusters

En dan zal ik nu vertellen hoe ik mij ooit dacht te redden uit een brandend hotel. Heel langzaam.

In de zomer van '83 maakte ik met Floris Bergkamp, toen nog fotograaf, een reis door de Verenigde Staten. Onze interesse bewoog zich tussen twee polen: de ondergang van de Indianen en de bescherming van kraanvogels.

In Rochester, Wisconsin, zaten we op de derde of vierde verdieping van een Howard Johnsons of iets dergelijks. Kort na middernacht werden we gewekt door een hardnekkig alarmsignaal. Floris ging naar de gang en concludeerde dat er brand was: vrouwen in roze dusters naar het trappenhuis.

Ik begon mijn kleren aan te trekken. Ik begon spullen in mijn tas te stoppen. Verrekijker. Vogelgids. Notitieboekje. Dit was geen onverschrokkenheid, dit was ongeloof. Dat ik bij zoiets ongewoons als een hotelbrand betrokken zou zijn! Dit was, denk ik, vooral dat ik me niet wou laten kennen.

Floris, bij de deur: 'Het is menens, Koos.' Dus dat was zijn fout - hij wachtte op iemand als ik.

Daarna naar buiten. Samen met andere gasten brachten we een genoeglijk uurtje door op het zwoele gazon. Toen weer naar binnen. Loos alarm.

Sindsdien controleer ik in elk hotel waar ik mijn intrek neem de nooduitgang. Maar nog altijd met het gevoel dat dat niet hoort, dat je een kijkje neemt in andermans portefeuille.