Marivaudage

Op 26 oktober 1760 schreef de beroemde Franse encyclopedist Denis Diderot aan zijn geliefde Sophie Volland: “Ik heb me meermalen afgevraagd waarom ik (...) zo weinig geschikt ben voor gezelschap. Dat is omdat ik mij er onmogelijk zo kan gedragen als onder vrienden, en omdat ik de kille taal zonder betekenis die men tot onverschilligen spreekt, niet ken; ik zwijg er of word indiscreet. Zo'n mooie gelegenheid om te marivauderen! En waarom zou ik niet?”

Diderot onderstreepte 'marivauder' in zijn brief omdat het woord net opgang maakte. Kennelijk viel het bij hem in de smaak, want in de weken daarna gebruikte hij het nog twee keer. Zo schreef hij op 6 november: “...is het beter een leugenaar te zijn dan een domkop? Liegen kun je afleren, maar domheid niet. Wie de pretentie om de anderen bezig te houden heeft laten varen, liegt nauwelijks meer. O, wat is dat een mooie marivaudage! (...) Maar negenduizend duivels halen Marivaux en al die flauwe epigonen van hem, zoals ik!” Vier dagen later hield hij zijn geliefde voor: “ik marivaude - Marivaux doet dit zonder het te weten, en ik welbewust.”

De Parijse toneelschrijver Pierre Carlet de Chamblain de Marivaux leefde nog toen Diderot dit schreef, zij het niet lang meer. Hij stierf in 1763, 75 jaar oud, geruïneerd door een krach en lang niet meer zo gevierd als hij was geweest.

Marivaux schreef zijn eerste blijspel in 1712, toen hij 24 was. Hij was in Parijs een geziene gast in de literaire salons van Madame de Lambert en Madame de Tencin en werd aangestoken door de taal die men daar sprak, in de vakliteratuur aangeduid als tweede of nieuwe Préciosité.

De bezoekers van de salons maakten het converseren tot een kunst, die door Marivaux in zijn blijspelen werd toegepast. Aan het Italiaanse theater van Lelio ontleende hij zijn voorliefde voor dialogen, en de steractrice van dit gezelschap, Silvia Benozzi, werd voor hem een grote bron van inspiratie. Silvia figureerde in een groot aantal blijspelen van Marivaux, die meestal een ontluikende liefde tot onderwerp hebben.

Over Marivaux bestaan talloze publikaties, waaronder enkele zeer gedetailleerde. Zo verscheen in 1909 een Duitse dissertatie over het spraakgebruik van de boeren in zijn blijspelen, en in 1960 richtte een wetenschapper zich speciaal op 'les jeunes filles' in Marivaux' komedies. Het beste boek over de stilistische eigenaardigheden van Marivaux is de dissertatie van Frédéric Deloffre, Marivaux et le Marivaudage (Parijs, 1955).

Deloffre toont aan dat het begrip marivaudage een opvallende ontwikkeling heeft doorgemaakt. Aan het eind van de 18de eeuw keek men op de Franse toneelschrijver neer. Marivaudage betekende toen zoiets als gekunstelde, gezochte stijl. Bovendien bedoelde men ermee het oeverloos ontleden van karakters en emoties, zoals de vrouwelijke hoofdfiguren in de blijspelen van Marivaux vol overgave deden, tot sjagrijn van onder anderen Voltaire en d'Alembert. Halverwege de 19de eeuw kreeg het begrip een andere lading: Marivaux werd andermaal bejubeld en marivaudage werd synoniem met een verfijnde, gracieuze stijl. Maar in de 20ste eeuw daalde de ster van Marivaux weer, met als gevolg dat Franse woordenboeken bij marivaudage tegenwoordig twee, vrijwel tegengestelde betekenissen geven: zowel 'gezochte taal' als 'verfijnde taal'.

Volgens Deloffre is een van de voornaamste kenmerken van de stijl van Marivaux zijn voorliefde voor korte, puntige antwoorden in dialogen. Zoals het een wetenschapper betaamt sloeg hij aan het tellen en hij ontdekte dat de antwoorden in de blijspelen van Marivaux gemiddeld tussen de 14 en 20 woorden tellen, veel korter dan toen gebruikelijk was. Daarnaast laste Marivaux nogal wat tirades in, waarin vooral Silvia Benozzi uitblonk. Als onverbeterlijke kletskous in Le jeu de l'amour et du hasard, Marivaux' meesterwerk, kreeg zij zaal na zaal plat.

Deloffre heeft ruim 500 pagina's nodig om de stilistische nuances van de marivaudage uiteen te zetten. De conclusie moet zijn dat Marivaux allerlei stijlen door elkaar gebruikte. Hij had een voorliefde voor de vermenging van verfijnd en platvloers taalgebruik, hij was een meester in woordgrapjes, hij goochelde met archaïsmen, synoniemen en homoniemen, hij verzon allerlei nieuwe beeldspraken en vergelijkingen, hij bedacht tal van nieuwe woorden en zinswendingen en hij gaf bestaande woorden en uitdrukkingen een nieuwe betekenis. Dit laatste deed een criticus opmerken dat Marivaux de kunst verstond “om zich met de helderste en meest alledaagse woorden hoogdravend en duister uit te drukken”.

Niet alleen streefde Marivaux ernaar de spreektaal te evenaren, tegelijkertijd moesten vooral dienaren en dienstmaagden in zijn stukken de meest gekunstelde zinnen uitspreken. “Mevrouw, zou ik mij mogen verstouten, mij allereerst te vleien met een klein moment van uw aandacht”, zo laat hij de bediende Frontin in Les serments indiscrets zeggen, en liefhebbers van Olivier B. Bommel herkennen in Frontin onmiddellijk een verre voorvader van Joost.

Hoewel Marivaux al vanaf 1730 in het Nederlands werd vertaald, duurde het even voordat het begrip marivaudage bij ons voet aan wal zette. Voor zover bekend vermeldde P. Weiland het in 1824 als eerste, met als betekenis “een ellendig blijspel, in den smaak van Marivaux”. De mooiste definitie die ik heb kunnen vinden staat in Woordenschat (1899) van De Beer en Laurillard. Zij definieren marivaudage als “geaffecteerde stijl, als die van Marivaux (1688-1763), een schrijver, die bij al zijn genialiteit en hooge kunst, een hoogst ongenietelijken proza-stijl had, langdradig, vol afwijkingen, omwegen en gezochtheid, met uitgekozen mooie woordjes en platte uitdrukkingen, nietigheden uitvoerig beschrijvend; van wien Voltaire getuigde, dat hij zijn leven doorbracht met vliegeneieren in spinragschalen te wegen.”

Kom daar maar eens om in een hedendaags woordenboek.