Kritiek op onderzoek bij echtscheidingsperikelen

ALKMAAR, 13 DEC. De deskundigen-bureau's, die door de Raad voor de Kinderbescherming of de (kinder)rechter worden ingeschakeld om onderzoek te doen in bijvoorbeeld echtscheidingszaken, doen hun werk niet goed. De onderzoekers zijn onbekwaam, vooringenomen en de manier waarop ouders door de deskundigen worden behandeld is misleidend.

Dat schrijven de Stichting onderzoek naar de Nederlandse rechtspleging in familiezaken (SOR) en de Vereniging voor nader onderzoek rechtspleging in een rapport dat vanavond aan de orde komt tijdens de vergadering van de Tweede Kamercommissie Jeugdwelzijnsbeleid.

Volgens de opstellers van het rapport passen de onderzoekers hun bevindingen aan aan de inzichten van de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechter. Ook laken zij het feit dat nogal wat adviezen een zogenoemd 'open eind' hebben. “Kinderrechters varen blind op de door het Psychiatrisch, psychologisch en pedagogisch onderzoeksbureau Randstad (PAR) en de Raad gehanteerde werkwijze. In het bijzonder de klagende ouder heeft vaak behoefte aan contra-expertise. Hiervoor is het noodzakelijk dat men inzage krijgt in de aantekeningen van de onderzoeker. Dat gebeurt niet en daarom is contra-expertise door een andere deskundige vrijwel onmogelijk”, aldus het rapport.

“Ik snap niet wat daarmee wordt bedoeld. Zelf ken ik geen voorbeelden van adviezen met een open eind. Ik denk dat dat bij hoge uitzondering voorkomt maar dan wordt het altijd toegelicht. Ook zal het mij een zorg zijn wat de conclusie is van een onderzoek. Ik ben onafhankelijk. Wie beweert dat onderzoeksrapporten zo worden geschreven dat erin staat wat ik wil horen, heeft geen inzicht in het functioneren van de Nederlandse rechtspraak”, zegt de Alkmaarse kinderrechter mr. M. Otterspoor.

Het is volgens haar geen usance dat onderzoeksbureau's zoals het PAR, veelvuldig worden ingeschakeld in echtscheidingszaken waarbij ook kinderen in het geding zijn. “Het is een dure aangelegenheid. Een onderzoek kost al gauw zes- à zevenduizend gulden. Het is in eerste instantie de Raad voor de Kinderbescherming zelf, die onderzoek verricht. Als de Raad denkt teveel tijd nodig te hebben of wanneer de situtie thuis zo is gepolariseerd dat de betrokken ouders geen vertrouwen meer hebben in de Raad, dan kan ik besluiten het PAR in te schakelen”, aldus Otterspoor.

Het PAR, dat twintig jaar geleden werd opgericht, is gevestigd in Rotterdam, Amsterdam, Tilburg en Alphen aan den Rijn. Het aantal medewerkers bedraagt ongeveer honderd psychiaters, psychologen en (ortho)pedagogen. “Geen mensen die pas zijn afgestudeerd. Voor ze bij dit onderzoeksbureau in dienst treden hebben ze jarenlang in de praktijk gewerkt”, zegt drs. J. Meijers, directeur van de stichting Rijnhove waaronder het PAR valt.

In de meeste gevallen is het één van de ouders die klaagt over de uitkomsten van het onderzoek, zegt hij. Dat is ook de ervaring van mr. Otterspoor: “De kritiek komt met name van de ouder die bij echtscheiding ontevreden is over de omgangsregeling met de kinderen. Ik heb nog nooit een ouderpaar horen zeggen dat de onderzoeker vooringenomen was.”

Volgens Meijers wordt het betrokken ouderpaar vooraf op de hoogte gesteld van de onderzoeksprocedure. Het onderzoek naar de thuissituatie neemt doorgaans drie maanden in beslag. Voordat het advies wordt uitgebracht aan de Raad voor de Kinderbescherming, wordt het besproken met de betrokken ouders, aldus Meijers. “Daarna gaat het rapport naar de opdrachtgever, de kinderrechter. Het is zeker niet vanzelfsprekend dat ons advies klakkeloos wordt overgenomen.”

Mr. G.M. Zuur, driecteur van de Raad voor de Kinderscherming in Dordrecht, noemt de rapporten van het PAR “deskundig”. Ook hij weerspreekt de kritiek van de Stichting onderzoek naar de Nederlandse rechtspleging in familiezaken dat teveel adviezen een open eind hebben.

Zuur: “Er worden gerichte vragen gesteld, daarop komen ook gerichte antwoorden. Ik geloof wel dat niet alle betrokkenen voldoende inzicht hebben in de manier waarop een bepaalde conclusie tot stand komt. Dat zou mijns inziens beter moeten. Het komt wel vaak voor dat de conclusie dicht komt bij datgene wat de raad al dacht. Maar het is onjuist om daaraan de conclusie te verbinden dat onderzoekers vooringenomen zouden zijn. Wij hebben absoluut geen invloed op hun werkwijze.”