Klein verschil is reeds beslissend voor goede of slechte Bruckner

ß8Concert: NDR-symfonie Orkest o.l.v. Günter Wand. Programma: A. Bruckner: Achtste symfonie (ed. Haas). Gehoord: 11/12 Concertgebouw Amsterdam. Tv-uitz.: 19/12 12.45 uur Vara Ned. 3; Radio-uitz.: 24/12 20.02 uur Vara Radio 4.

ß8Concert: Residentie Orkest o.l.v. Günther Herbig m.m.v. Young-Hee Kim, sopraan. Programma: E. Grieg: Peer Gynt-suites nrs 1 & 2; A. Bruckner: Negende symfonie. Gehoord: 12/12 Dr. Anton Philipszaal Den Haag. Radio-uitz.: 4/1 20.02 uur NCRV Radio 4.

Wat is het geheim van een goede Bruckner? Waarom betekent het kleine verschil tussen twee Brucknerconcerten door twee goed spelende orkesten onder leiding van twee degelijke en ervaren Duitse Brucknerdirigenten die beide uit het hoofd dirigeren toch het grote verschil tussen uitstekend en teleurstellend? Het is precies wat het programmablad van het Residentie Orkest schreef: “Er is geen ruimte voor de middelmaat, een uitvoerig van Bruckner is óf goed óf slecht.”

Jammer genoeg voor het Residentie Orkest onder leiding van Günther Herbig bleek de Negende symfonie van Bruckner zondagmiddag in Den Haag middelmatig, dus slecht. En zaterdagmiddag was de uitvoering van de Achtste symfonie van Bruckner in de Amsterdamse Matinee door het orkest van de Nord Deutsche Rundfunk in Hamburg onder leiding van Günter Wand ruim boven de middelmaat, dus heel goed.

Hoe komt dat? Herbig had in Den Haag de sfeer in de Dr. Anton Philipszaal niet mee: de toch altijd al kil aandoende duistere ruimte was bij deze opname voor de NCRV-radio voor niet meer dan een derde gevuld. De warm oplichtende Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw zat geheel vol tijdens de radio- èn tv-opname van dit optreden van Wand, dat bij voorbaat al een historisch karakter kreeg. De 81-jarige dirigent kan dan nog wel anderhalf uur voor het orkest staan, maar beweegt verder zeer wankel. De grote trap kan hij niet meer op en af, en er was bij het zijtrapje in de zaal zelfs een extra leuning voor hem aangebracht.

Wand leek, net als destijds de meer dan 80-jarige Eugen Jochum bij het Concertgebouworkest, wel een reïncarnatie van de broze Bruckner in zijn laatste jaren. Dat helpt bij de publieke verwondering over zijn anderhalf uur durende vaak energieke monumentale muziek in de Achtste. Martinus Nijhoff beschreef het in zijn gedicht Bruckner zó:

Een groot verdriet in 't ernstige profiel Dat neerwaarts kijkt, en machtelooze handen. Maar als hij riep, dan daverden de landen En was 't alsof een vuist op aarde viel.

De Achtste van Wand was er een van klasse. Bij Wand heeft die anderhalf uur durende symfonie in gedragen, maar toch iets snellere tempi dan hij vroeger nam, wel een wat zwarig karakter en soms loopt in fortissimo-passages het klankbeeld wat dicht. Het Scherzo had ook een fractie sneller en verender gekund. Maar wat Wand geleidelijk aan opbouwde, werkte in de twee laatste delen van elk bijna een half uur zeer indrukwekkend uit.

Wand verstaat daar de kunst om de spanning altijd vast te houden en die zonder al te scherpe contrasten geleidelijk aan te intensiveren tot grootse en glorieuze climaxen. Aan de geraffineerd ruisende en weelderige klanklandschappen die Jochum in de jaren '80 bij het Concertgebouworkest wist te realiseren, kwam Wand net niet toe. Jochum liet in de lyrische passages opvallend veel schoons opbloeien. Wel verraste Wand met wat luchtige en speelse blazerspartijtjes.

In Den Haag maakte Herbig vaak een te abrupt onderscheid tussen ontspannen lyriek en dringend gedaver. De lyriek verloor vaak spanning en de uitvoering werd al te zeer gedomineerd door Bruckners onverbiddellijk vallende vuist. Deze Negende van Bruckner miste diepte en klonk te oppervlakkig, ook aan het etherische slot, dat zoveel meer kan suggereren aan eindeloze eeuwige vrede.