Het schuim der natie

Generaal-majoor Ruurd Reitsma gaf onlangs een aardig beeld van de verwarring binnen het establishment van de Nederlandse krijgsmacht na het revolutiejaar 1989. “Ik had absoluut geen vermoeden wat er zou gaan gebeuren. Wel lag er al dertig jaar een operatieplan: wat te doen bij een aanval? Het boekje was het heilige der heiligen.” Nederland moest een moerasgebied bij de Elbe verdedigen: “We waren voornemens om het moeras gedeeltelijk vol te laten lopen en andere stukken juist leeg te pompen. We lieten daar diepgaande studies naar doen. We kunnen van het papier uit dit boekwerk vliegtuigjes vouwen.”

De schok moet enorm zijn geweest en werkt tot op de dag van vandaag nog hevig door. Zoveel kan men wel opmaken uit de boeiende rondgang die VN-redacteur Leonard Ornstein maakte langs een achttal generaals (Vrij Nederland 20 november 1993). Het beeld dat hij schetst is illustratief voor de moeizame gewenning aan de huidige wereldwanorde en toont goed de afstand tussen de politieke besluitvorming over de krijgsmacht en denkbeelden van de militaire top.

De Prioriteitennota van minister Ter Beek, waarin de hoofdlijnen van de aanpassing van de krijgsmacht worden geschetst, steunt op twee pijlers. De ene is een verandering van strategie: niet langer staat de verdediging van het NAVO-grondgebied centraal, maar de krijgsmacht krijgt wereldwijde taken in verband met 'crisisbeheersing' en bescherming van de internationale rechtsorde. De andere pijler is de omvorming van het dienstplichtigenleger tot een leger van beroepsmilitairen. Uiterlijk 1 januari 1998, mogelijk zelfs eerder, zal de opkomstplicht worden afgeschaft.

Hoe denken de generaals nu over de nieuwe strategie, die geen principieel onderscheid meer maakt tussen verdediging van het eigen grondgebied en inzet ten behoeve van de internationale rechtsorde? Veel houvast lijkt het nieuwe interventionisme niet te bieden. Reitsma is ambivalent: “De veiligheid in de wereld is gaan behoren tot de nationale veiligheid. Maar wat het nationale veiligheidsbeleid precies is, moet komende tijd duidelijk worden.” Die kanttekening oogt onschuldig, maar is tamelijk dodelijk, want de roep om meer duidelijkheid zal nog lang blijven klinken. Brigadegeneraal Peter Strik lijkt in te stemmen met het nieuwe denken: “Ik ben helemaal van het idee af dat ons grondgebied begint aan onze grens. De Nederlandse belangen zijn veel verder gelegen.” Maar hij vervolgt onzeker: “Of de Nederlandse veiligheid in Somalië op het spel staat? Het is niet aan mij om daar over te oordelen.”

Het doorschuiven van die beslissing naar de politiek verantwoordelijken is correct, maar zou licht de indruk kunnen wekken dat de militairen zich louter als verlengstuk van de politiek opvatten. Wat niet het geval is. Reitsma: “We kunnen niet voor een gril van een politicus een commitment aangaan.”

Meer in algemene zin worden van de regering terecht ondubbelzinnige opdrachten verwacht en dat is met de nieuwe, hoogst onbestemde strategie vrijwel onmogelijk. Hoe moet bijvoorbeeld vooraf de grens worden getrokken tussen peace-keeping, het controleren van een wapenstilstand met instemming van de partijen in het conflict, en peace-enforcing, militaire tussenkomst tegen de wil van de betrokkenen in? Een vreedzame operatie kan snel afglijden tot het gebruik van geweld in een oplopende spiraal. Dat bewijst Somalië wel.

Strik stelt het zo: “Als bijvoorbeeld wordt gezegd: beheers Macedonië, dan zullen we wel even moeten vragen wat daarmee wordt bedoeld. Want politici stellen hun opdrachten vaak zo verdomd onduidelijk.” Misschien realiseren de generaals zich beter dan menigeen dat geweldsgebruik in naam van de vrede of de mensenrechten toch echt het gebruik van geweld is, met alle tragische en onbeheersbare kanten vandien. Generaal-majoor Harry Satter: “Oorlog is een hel. Het geeft rotzooi en haalt het slechtste van het slechtste in de mens naar boven.” Dat geldt vast ook voor Nederlandse blauwhelmen als ze eenmaal in gevechtshandelingen betrokken raken.

De slotsom is dat alle geïnterviewden grote terughoudendheid aan de dag leggen over de uitvoering van de nieuwe strategie. De precieze garanties die ze van hun minister verlangen zullen in de praktijk als een forse rem op het nieuwe interventionisme werken. Toch vechten ze het principe niet aan. De reden laat zich raden: de internationale rechtsorde als werkverschaffing zal men niet gemakkelijk wegwerpen in een tijd dat iedereen klaar staat om de defensiebegroting verder uit te kleden.

Het oordeel over de andere pijler van het nieuwe defensiebeleid is uitgesprokener. Het is niet teveel gezegd dat de omschakeling naar een beroepsleger, waarbij een personeelsinkrimping van vierenveertig procent plaatsvindt, op een harde afwijzing stuit. Het is een combinatie van verzet tegen deze ingrijpende verkleining van de krijgsmacht, en principiële twijfel over het soort mensen dat zich als vrijwilliger zal gaan aanmelden. Generaal b.d. Jan Tjassens lijkt het algemene gevoelen te verwoorden: “Een dienstplichtigenleger ademt de sfeer van het volk. Maar wat komt er op een leger af als het alleen uit vrijwilligers bestaat? Een niet gering aantal kanslozen die hun opleiding niet hebben afgemaakt. De krijgsmacht kan dan uit het schuim der natie gaan bestaan.”

Niet alleen aan de kwaliteit wordt getwijfeld, maar ook aan de hoeveelheid vrijwilligers. Generaal-majoor Eric Warlicht: “Als er dagelijks lijkzakken binnenkomen van gesneuvelde soldaten en je niet genoeg vrijwilligers kunt krijgen moet je teruggrijpen op de dienstplicht.” Achter die bijna laconieke vaststelling gaat veel werkelijkheidszin verscholen. De generaals zeggen het niet met zoveel woorden, maar waarschijnlijk zien ze wel dat soldaten of gewapende bendes die hun eigen territorium verdedigen, veel meer geneigd zullen zijn hun leven te riskeren, dan de Nederlandse beroepsmilitairen die voor de internationale rechtsorde komen vechten. Een oerinstinct tegenover een nobele abstractie, het laat zich raden wat de overhand zal krijgen.

Wie deze en andere kritiek op zich laat inwerken beseft dat minister Ter Beek pas aan het begin van de omvorming van de Nederlandse krijgsmacht staat. De grote besluiten zijn gevallen, maar zijn ze uitvoerbaar? Geeft het interventionisme van de Prioriteitennota richting aan het defensiebeleid? Ter Beek schrijft: “Laten we ons de moeite besparen van een weinig zinvol onderscheid of rangorde tussen de eigen veiligheid en de bescherming van de internationale rechtsorde” (Socialisme en Democratie, 3/1993). Dat gaat wel heel ver, zeker op een moment dat de oorlog in het voormalige Joegoslavië al niet in verband wordt gebracht met de eigen veiligheid.

Deze nogal weidse taken moeten vervolgens worden uitgevoerd door een vrijwilligersleger, waartegen de militaire top zware bedenkingen koestert. Moet het 'schuim der natie' straks de mensenrechten in Angola met veel tact en terughoudendheid gaan beschermen? Een aanmerkelijk kleiner en wellicht kwalitatief slechter leger moet in de komende jaren taken gaan vervullen, die omvattender en veeleisender zijn dan ze ooit waren sinds de Tweede Wereldoorlog. Dat lijkt een aardige samenvatting van het onbehagen der generaals en het tekent hun twijfel over de ogenschijnlijk voldongen feiten van de politiek.