God is niet een verschijnsel naast andere verschijnselen

Door de Leidse hoogleraren theologie Adriaanse, De Jonge en Van den Toren is op de opiniepagina een discussie in gang gezet over de betekenis van de theologie aan een openbare universiteit (17 november). Hun Amsterdamse collega Bakker reageerde daarop in de krant van 30 november.

In de discussie over theologie en de universiteit zijn allen het erover eens dat theologie thuishoort aan de openbare universiteit, een standpunt dat ik toejuich. Een buitenstaander zou kunnen denken dat theologen hier elkaar de bal toespelen. Hun broodwinning is immers in het geding. Maar er is veel te grof omgesprongen met het woord 'god' en met de idee wat wetenschap is. In het artikel van Adriaanse c.s. wordt gesteld dat uitspraken over God niet toetsbaar zijn en dat theologie in de zin van spreken over God dus niet aan de openbare universiteit thuishoort. In de theologie zouden we het niet hebben over God maar over menselijke uitspraken over God.

Deze redenering gaat mij te snel. Ook in de geschiedwetenschap hebben we te maken met menselijke woorden over het verleden, wat de historicus niet het wetenschappelijke recht ontzegt zich een beeld van dat verleden te vormen, ook als hij zelf niet met ogen kan vaststellen hoe het was. De indirectheid van de toegang tot wat we wetenschappelijk beschrijven hoort bij de aard van deze discipline, maakt de aard van haar wetenschappelijkheid uit. Dat geldt - zij het op een geheel andere wijze - ook voor de theologie.

Er is echter een belangrijker reden waarom de argumentatie te snel loopt. We hebben het inderdaad over menselijke uitspraken over God. Maar die uitspraken verwijzen naar iets, of beter gezegd naar Iemand - naar ervaringen van mensen waarin ze de aanwezigheid van Iemand onderkennen. God mag dan niet experimenteel manipuleerbaar zijn, zijn aanwezigheid wordt wel door mensen ervaren. Dat gebeurt in ervaringen die ook anders te duiden zijn. Maar voor betrokkenen gaan ze niet daarin op. Men kan de religieuze ervaring reduceren tot psychologie, en de psychologie tot fysiologie en de fysiologie tot chemie. Dat is allemaal waar: 'der Mensch ist was er isst'. Maar hij gaat daarin niet op. We ervaren datgene wat we chemisch kunnen duiden evenzeer als psyche, ook al heeft nog nooit iemand een psyche experimenteel vastgesteld. We ervaren datgene wat we in psychologische termen kunnen beschrijven als godservaring, ook al heeft nog nooit iemand God experimenteel vastgesteld. Daarom hoeven we God ook niet te verdedigen, net zo min als we de psyche hoeven te verdedigen. Wie de mens wil reduceren tot chemie, is niet in staat de realiteit van psyche te vernietigen. Hij heeft alleen een wat platte wereldervaring. Wie God wegreduceert tot psychologie of tot 'niet bewijsbaar' is niet in staat de realiteit van Gods aanwezigheid te vernietigen. Ook hij heeft alleen een wat platte opvatting van de werkelijkheid.

Daarmee kom ik bij de belangrijkste reden voor de aanwezigheid van theologie aan de openbare universiteiten. De universiteiten zijn vanouds plaats en symbool voor de rijkdom van de hele cultuur. Zij waken tegen de platheid. Aan de universiteiten is de gelaagdheid van onze werkelijkheid ontdekt. Men kan religie ook psychologisch duiden en psychologie ook chemisch. Het is niet mogelijk om de wereld ondubbelzinnig te beschrijven.

Tegenover ondubbelzinnige waarheidssystemen is de kritiek van de universiteit heilzaam, bevrijdend en verrijkend geweest. Maar het is zaak om die beweging gaande te houden voor de universiteiten als dragers van de cultuur. We constateren de openheid van de menselijke ervaring naar God. God is niet een verschijnsel naast andere verschijnselen, net zo min als de psyche een fenomeen is naast fysische fenomemen. In het fysische ervaren we de psyche. In het fysische, het literaire, het psychische ervaren we, misschien nog meer: vermoeden we, ontwaren we Gods aanwezigheid. Het (onder)zoeken naar de aard en de inhoud van deze religieuze dimensie van ons bestaan kunnen we terwille van de diepgang van de cultuur aan de universiteit niet missen.

Het gaat in theologie dus om een verrijkende openheid van de cultuur, zonder negatie van al haar andere facetten. Spreken over God houdt de wereld open. Dat brengt mij dicht bij de kritische functie die Bakker aan de theologie toedicht. Maar zijn beroep op openbaring behoeft een zelfde nuancering als het wetenschaps- en het godsbegrip van zijn gesprekspartners. Voor Bakker staat openbaring haaks op ervaring. Ze komt zogezegd 'senkrecht von oben'. Als je dan nog over rationaliteit wilt spreken heb je het uitsluitend over de rationaliteit van de menselijke concepten: met God bedoelen we datgene - of diegene - die per definitie geheel anders is dan de wereld.

God verschijnt echter in mensenlevens via het horen van woorden, het lezen van teksten, het opgenomen worden in een religieuze traditie, het ervaren van zijn verhulde aanwezigheid in levenservaringen. De openbaring verschijnt altijd in het gewaad van de ervaring - want ook het horen van een preek is een ervaring. Daarom is God ook nooit te claimen en nooit eenduidig vast te stellen. God mag de WAARHEID zijn maar Hij doet zich voor in ervaringen die ons Waarheid doen ervaren. Daarom is Waarheid ook ter discussie. We kunnen over religieuze ervaringen spreken, niet alleen over het verschijnsel van deze ervaringen als zodanig maar ook over hun inhouden.

We praten dus wel terdege over God. Maar het is niet mogelijk eens en voorgoed vast te stellen wie en hoe God is. Er is in de theologie een oude stelregel 'God is altijd groter'. Als gelovigen of kerken beweren te spreken over God kunnen ze dan ook nooit absolute waarheidsclaims leggen. Het is goed dat er tegenover zulke waarheidsclaims een universiteit is die de gedifferentieerdheid en gelaagdheid van de waarheid en de werkelijkheid laat zien. Waarheid over God kan nooit het exclusieve voorrecht van een groep zijn: dan gaat het bij voorbaat al niet meer over God. Geloofsuitspraken moeten voorwerp van het openbare debat zijn.

Evenmin kan enige filosofische of wetenschappelijke traditie claimen de Waarheid gevonden te hebben. Ook voor de waarheid geldt: 'zij is altijd groter'. Een universiteit die dat niet meer voor ogen houdt verliest haar status als universiteit, zij wordt tot een godsdienstige sekte met uitsluiting van elke openheid naar een waarheid die haar eigen verworven onderzoek en methoden te boven gaat.

Een universiteit die om principiële redenen (niet vanwege pragmatische redenen van verdeling van taken en middelen) het theologische onderzoek (in de zin van het nadenken over de ervaring van de aanwezigheid van God en het zoeken naar formuleringen van die aanwezigheid) afwijst, verdient de eretitel universiteit niet meer. Zij is nog slechts de hogeschool van een sekte.

In een situatie waarin 'universiteiten' en/of overheden deze keuze maken, zich opsluitend in zichzelf, kan het stichten van een vrije universiteit een daad terwille van de waarheid en de cultuur zijn. Tegelijk heeft zo'n daad de risico's in zich van de geborneerdheid zelf wèl de waarheid te kennen (waardoor ze dus even sektarisch wordt) of van de soevereiniteit in eigen kring (als we ons eigen geloof maar mogen houden), waardoor het openbare debat over de waarheid uit de weg wordt gegaan en religie tot privézaak wordt. Denken over God, over de ervaring van de laatste openheid, de laatste vrijheid en de laatste rijkdom van ons bestaan kan niet gemist worden in het openbare leven van een maatschappij die meer wil zijn dan fysica of economie: die cultuur wil dragen en ontwikkelen. Voor de gerichtheid op die vrijheid, openheid en rijkdom behoort allereerst de universiteit te staan - en zonder theologie gaat dat niet.