Drosteblik-effect in knap nieuw stuk van Woudstra; Een skelet bij de potkachel

Voorstelling; De stille grijzen van een winterse dag in Oostende door Noord Nederlands Toneel i.s.m. KVS in Brussel. Tekst en regie: Karst Woudstra. Gezien: 10/12 Stadsschouwburg Groningen. Tournee t/m 10/2.

De eerste scène van De stille grijzen van een winterse dag in Oostende, een nieuwe toneeltekst van Karst Woudstra die hij nu bij Noord Nederlands Toneel heeft geregisseerd, lijkt een tot leven gekomen schilderij van James Ensor.

Het kamertje van kale houten planken waarin een man en een skelet zich warmen bij een ijzeren potkachel vertoont opvallende gelijkenissen met Ensors schilderij Skeletten die zich willen verwarmen óf vandaag geen vuur dat op het omslag van Woudstra's tekstboekje is afgebeeld. Ook later in het stuk zijn verwijzingen te vinden naar de Vlaamse schilder, en niet te vergeten die mooie poëtische titel: een zin ontleend aan een brief van Ensor.

Niet voor niets gaf Woudstra zijn tekst dan ook als ondertitel 'een Ensoriade'. Maar afgezien van een eerbetoon aan Ensor is het met zorg gestructureerde stuk een les in toneelgeschiedenis. Een les met een Drosteblik-effect bovendien: de zes scènes tussen proloog en epiloog zijn toneelstukjes in een toneelstuk in een toneelstuk.

Een en ander is opgezet als een raamvertelling. In de proloog maken we kennis met de broers Melchior en Nicholaas de Zwaan, de laatste in de gedaante van een skelet: hij blijkt een dodelijke ziekte te hebben gehad. Melchior, een theatermaker die zich op Sicilië heeft teruggetrokken, treurt om de dood van zijn geliefde jongere broer en zegt dat hij hem in een toneelstuk opnieuw tot leven wil wekken opdat hij wellicht onsterfelijk wordt. Dat stuk, zo heeft hij bedacht, zal De stille grijzen van een winterse dag in Oostende heten. Het speelt zich af in 1905 in Oostende en Nicholaas en hijzelf (een mislukt theatermaker) zullen erin voorkomen als twee broers uit een bemiddelde familie.

In de hierna volgende scènes wordt dat toneelstuk inderdaad opgevoerd: Nicholaas (nu een frisse in elegant zomerkostuum gestoken jongeman), Melchior, hun oudere zuster Aurelia en haar bastaardzoon Eduard verhuren hun zomerverblijf in Oostende aan de familie Van Scharrenburg en een vriend. Wegens het tuberculeuze gestel van Edith, de zuster van meneer Van Scharrenburg, verblijven ze meerdere maanden aan de kust - en in gezelschap van de familie De Zwaan. Onder leiding van Melchior doden ze de tijd met het instuderen van toneelstukjes: een Japans Noh-spel, Hamlet, een operette, Marivaux, en Britannicus van Racine.

Tijdens het instuderen wordt gaandeweg steeds meer duidelijk over de personages en hun onderlinge relaties, niet alleen door wat ze elkaar vertellen maar ook doordat de scènes die ze repeteren alles behalve willekeurig gekozen zijn en model staan voor hun eigen situatie. Zo wordt een stuk van Marivaux gespeeld omdat de figuren, net als sommige leden van de twee families, op elkaar verliefd zijn zonder dat ze het weten, zo is de operette onthullend omdat die verduidelijkt wie de vader is van Eduard.

Dit alles klinkt nogal bedacht en dat is het in zekere zin ook, temeer daar er allerlei klassiek mythologische thema's als Castor en Pollux en Leda en de zwaan in zijn verwerkt - en toch. De stille grijzen van een winterse dag in Oostende is Woudstra's meest geconstrueerde en gelaagde stuk waarin alles als bij een puzzel in elkaar grijpt. Toch is het geen topzwaar blok graniet geworden, maar in de eerste plaats een treurig-amusant familiedrama waarin de hoofdrol is weggelegd voor de onbegrepen kunstenaar Melchior (een overtuigende Geert de Smet) en waarin de nadruk ligt op zijn moeizame verhouding met Nicholaas (Wim Danckaert).

Er zijn tal van onmiskenbare Woudstra-ingrediënten te herkennen - gecompliceerde erotische verlangens en frustraties, geworstel met de seksuele geaardheid, een broeierig verleden, mondain milieu - maar de regisseur Woudstra heeft de voorstelling licht van toon weten te houden. Hoogtepunt wat dat betreft is de bordeelscène in de operette met wuft geklede en gevederde dames en heren wier quasi-professionele optreden onbedoeld komisch is. Dat geldt met name voor Fabiënne Meershoek (als Titia van Scharrenburg) en Sien Eggers (als Aurelia).

Het aardige is dat alle ingestudeerde toneelstukjes, die telkens een ander decor van Peter de Kimpe hebben gekregen, met opzet houterig en amateuristisch worden uitgevoerd en tegelijkertijd in vogelvlucht een groot aantal theaterstijlen behandelen. De prachtige kostuums zijn aan al die stijlen aangepast, van rococo (Marivaux) tot streng classicistisch (Racine). De voorstelling eindigt ten slotte in een bijna leeg decor, donkergrijs en somber, waar de dramatische ontknoping plaats heeft. En dat is dan voorlopig het laatste wat we hier van Karst Woudstra kunnen zien: binnenkort vertrekt hij naar Stockholm om daar te gaan werken.