Dichte grenzen houden arme massa's echt niet tegen

Inge Kaul, een van de directeuren van de Ontwikkelingsorganisatie UNDP van de Verenigde Naties, waarschuwt de rijke landen: als er niets gedaan wordt aan de ongelijke inkomensverdeling zal een migratiegolf uit het Zuiden met geweld het Noorden overspoelen.

DEN HAAG, 13 DEC. De avond voor ze naar Den Haag kwam om een NOVIB-conferentie te openen, was ze met een worstelaar en een fotograaf van scabreuze foto's te gast in een talkshow in Duitsland, haar vaderland. Inge Kaul laat geen gelegenheid voorbij gaan om haar boodschap te verkondigen. De presentator van de show zei haar: “Mevrouw, als ik de cijfers in uw rapporten lees, word ik erg bang.” Kaul antwoordde dat dat precies de bedoeling was. “Daarna liet ik hem links liggen en probeerde het publiek van hun cocktails af te houden.”

Inge Kaul is verantwoordelijk voor een rapport dat het UNDP (United Nations Development Program) sinds 1990 jaarlijks uitbrengt, het 'Human Development Report'. Hierin besteedt het UNDP aandacht aan de 'menselijke ontwikkeling' in de wereld. De grote publiciteitstrekker van het rapport is de 'Human Development Index', een lijst waarin landen zijn gerangschikt volgens hun verdiensten op gebieden als de gezondheidszorg, de alfabetisering, de watervoorziening en de levensverwachting.

Kaul erkent dat het moeilijk is deze factoren te meten, maar vindt dat de ranglijst niettemin een belangrijke functie vervult. “We zijn consumeerders van statistieken, nietwaar? In Duitsland roepen ze elk jaar dat de hitlijst van de VN er weer is, die aandacht is al heel belangrijk. Sommige indicatoren zijn misschien niet helemaal goed, zoals die voor levensverwachting en analfabetisme, maar mijn motto is dat je beter vagelijk goed kan zitten dan helemaal verkeerd. En de cijfers van het nationaal inkomen geven precies het verkeerde beeld.”

Een eerder rapport toonde aan dat er geen rechtstreeks verband is tussen de hoogte van het nationaal inkomen en het welzijn van de bevolking. In een aantal landen met een relatief hoog nationaal inkomen, zoals Angola, Algerije, en Zuid-Afrika, verkeren grote delen van de bevolking in totale armoede. Dit geldt in zekere mate ook voor een land als de Verenigde Staten, dat dit jaar zesde staat op de ranglijst. Om het beeld nog realistischer te maken is dit jaar voor de VS een uitsplitsing gemaakt naar bevolkingsgroepen. De zwarten bleken uit te komen op de 31ste plaats, op gelijke hoogte met Trinidad, en de Amerikaanse Latino's op de 34ste plaats, ter hoogte van Estland. Kaul wil deze uitsplitsing de komende jaren voor meer landen gaan maken.

De UNDP-rapporten pleiten er al jaren voor dat de ontwikkelingshulp gericht moet zijn op de mensen zelf, en minder op peperdure buitenlandse experts en betalingsbalanssteun. Begin deze maand zette de Wereldbank volgens Kaul een stap in de goede richting: de bank maakte bekend met twee miljoen dollar de Grameen-bank in Bangladesh te gaan steunen, een non-gouvernementele organisatie die 'micro-leningen' verstrekt waarmee de allerarmsten een eigen handeltje kunnen opzetten. Voor de Wereldbank, die normaliter alleen leningen verstrekt, was dit een tamelijk radicale wijziging van het beleid. “Soms denk ik dat de Wereldbank probeert ons over te nemen”, zegt Kaul.

Kaul denkt dat met kleine leningen aan de armen veel meer bereikt kan worden dan met werkprojecten die mensen een baan opdringen. Het voorbeeld van Zuidoost-Azië, dat met groeicijfers van acht tot tien procent aan kop gaat in de wereld, bewijst volgens haar hoe goed dit type beleid kan uitpakken. “Die landen hebben vanaf het begin het menselijk kapitaal als uitgangspunt genomen. Ze hebben ingezien dat mensen produktiever zijn als ze goed gezond zijn en een basisopleiding hebben, dus ze hebben geïnvesteerd in onderwijs en gezondheidszorg.” Terwijl volledige politieke vrijheid ontbrak, was er volgens Kaul wel genoeg economische vrijheid om de ontwikkeling te stimuleren. “Het voorbeeld van Zuidoost-Azië is helaas niet makkelijk na te volgen. Ze hebben namelijk wel een enorme hoop goederen op de markt gegooid. Hèt grote probleem is nu: hoeveel goederen hebben we nog nodig?”

Kaul noemt de tendens van Westerse landen om de ontwikkelingshulp terug te schroeven “irrationeel” en denkt dat het Westen zichzelf hiermee in de staart zal bijten. “In hun onwetendheid zeggen politici dat ze het probleem van de migratie aanpakken als ze de grenzen sluiten. Maar grenzen houden echt geen vijf, zes miljard mensen tegen. Zeker niet nu de handel steeds minder grenzen kent. Tot een jaar of twee geleden moest een Indiër een jaar wachten om een vliegticket naar het Westen te krijgen. Nu is dat in een uurtje geregeld.”

Dankzij de televisie weten de armen volgens Kaul beter hoe de rijken leven en zullen ze die rijkdom ook voor zichzelf willen verwerven. “We blijven er zo rustig onder, maar wat zal er gebeuren als China opengaat? In West-Afrika is een zeer groot deel van de bevolking jonger dan vijftien jaar. Wat gebeurt er als die allemaal een baan willen?”

Volgens Kaul kan het Westen de potentieel gewelddadige migratie alleen voorkomen als het zich juist nu openstelt voor migranten. Ze denkt niet dat dat voor onoverkomelijke problemen hoeft te zorgen, zelfs niet op het vlak van de werkgelegenheid. “We moeten de dienstensector uitbreiden. In New York, waar ik woon, doe je zelf geen boodschappen. Je belt de supermarkt en iemand komt de boodschappen brengen. Dat kan omdat er zoveel immigranten zijn. Waarom zou je daar geen gebruik van maken? We zouden veel meer vrije tijd over kunnen houden, als we zouden durven.”