De mineralenbalans lost het mestprobleem niet op

Vandaag praat de Tweede Kamer over de verontreiniging van het milieu door meststoffen. Terugdringen van de veehouderij zou een mogelijkheid zijn, maar daar zijn de boeren tegen. Hun voorstel is de mineralenbalans: een boekhouding van de aan- en afvoer van mineralen. De aankoop van veevoer en kunstmest wordt dan afgezet tegen de verkoop van vlees en melk en zo wordt duidelijk wat er in de bodem achterblijft. Als dat teveel is, is een heffing het gevolg. Volgens landbouwdeskundige De Boo is dat een zeer fraudegevoelige methode.

Het Nederlandse agrarische bedrijfsleven, gesteund door de ministeries van landbouw en milieuhygiëne verwachten dat het mestprobleem met de mineralenbalans kan worden opgelost. Minister Bukman is enthousiast van de Noordzee conferentie Kopenhagen teruggekomen met het bericht dat Nederland ruimte heeft gekregen om met de mineralenbalans 'evenwichtsbemesting' in 1999 te realiseren.

Maar het ministeriële vertrouwen in de mineralenbalans is onterecht en de voorgenomen introductie kan gemakkelijk leiden tot een oncontroleerbare en fraudegevoelige mestwetgeving.

De mineralenbalans wordt vooral gepresenteerd als een instrument waarmee elke boer kan beslissen hoe hij zo goedkoop mogelijk het achterblijven van mineralen (vooral stikstof, zoals nitraat, en fosfaat) in de bodem kan voorkomen. Afgezet tegen het alternatief van een verdere verlaging van de mestnormering lijkt deze boekhoudmethode heel aantrekkelijk. Een mineralenbalans is echter geen wondermiddel. Ook met een mineralenbalans zullen allerlei ingrijpende maatregelen moeten worden genomen om de enorme verliezen aan mineralen in de Nederlandse veehouderij te beperken.

Momenteel kan op gras en maïsland nog altijd meer dan twee keer zo veel dierlijke mest worden uitgereden als is toegestaan wanneer de Nitraat Richtlijn van kracht wordt. Dat is een in Europees verband overeengekomen norm die in 1999 in werking zal treden.

Als de mestproduktie ('gift') wordt uitgedrukt in fosfaat is de huidige toegestane gift meer dan twee keer zo hoog als door het gewas aan de bodem onttrokken wordt. In de gebieden in Noord-Brabant, Limburg, Gelderland en Utrecht worden deze toegestane hoeveelheden volledig gehaald, terwijl in 1991 al 300.000 tot 400.000 hectare werd aangemerkt als 'fosfaatverzadigd'. Dat wil zeggen dat de van nature grote opnamecapaciteit van de grond is overschreden. Oplossing van dit probleem door de mineralenbalans kan misschien naderbij worden gebracht door het gebruik van duur fosfaatarm én stikstofarm voer, maar het grootste deel van dit overschotprobleem zal via afvoer van het mestoverschot moeten worden gerealiseerd. Hier verandert de invoering van een mineralenbalans weinig aan.

Een belangrijk nadeel van een mineralenbalans is de fraudegevoeligheid. Controle van alle aan- en afvoerstromen van mineralen op een veehouderijbedrijf lijkt in theorie simpel. Maar als er sprake is van grote financiële belangen wordt elke calculerende burger, dus ook de veehouder 'creatief'. Boekhoudbureaus hebben een koppeling van de mineralenbalans aan de fiscale boekhouding voorgesteld, maar gezien de ruime verkrijgbaarheid van kunstmest en veevoer in Nederland en over de grens is het hoogst twijfelachtig of dit zal werken. Aankoop van beperkte hoeveelheden van deze grondstoffen buiten beide boekhoudingen om kan uiterst aantrekkelijk worden.

Waarom dringt het agrarisch bedrijfsleven bij de overheid dan zo sterk aan op de toepassing van de mineralenbalans? Gevreesd moet worden dat het de zoveelste vertragingstactiek is, en dat de overheid daaraan wil meewerken. Misschien een zware beschuldiging, maar de ervaringen met het mestbeleid in de afgelopen jaren zijn niet vertrouwenwekkend.

In 1987 is bijvoorbeeld gesteld dat grootschalige mestverwerking essentieel was om het overschot af te voeren. Voor 1991 moest voldoende mestverwerkingscapaciteit beschikbaar zijn om het extra mestoverschot dat zou ontstaan door het aanwijzen van de fosfaatverzadigde gronden te verwerken. Toen echter bleek dat in 1991 geen mestverwerkingcapaciteit beschikbaar was, is van het voorgenomen beleid ten aanzien van de fosfaatverzadigde gronden niets meer vernomen. Vanaf 1991 is men dus vrolijk doorgegaan met twee tot drie keer zo veel fosfaat te geven als het gewas er aan onttrekt. Dit terwijl alle Nederlandse burgers overstapten op (duurdere) fosfaatvrije wasmiddelen en geconfronteerd worden met hogere zuiveringslasten voor het huishoudelijk afvalwater om de fosfaat hieruit te verwijderen.

De Nederlandse veehouderij heeft steeds uitstel gekregen omdat het zo'n belangrijke en economisch gezonde bedrijfstak zou zijn. Maar de komende jaren zal de Nederlandse veehouder een behoorlijke achterstand gaan oplopen ten opzichte van zijn buitenlandse concurrenten.

Allereerst neemt door de liberalisatie van het EG-graanbeleid het voerkostenvoordeel van Nederland (dat vooral graanvervangers gebruikte) af. Er zijn nu al berichten dat in de traditionele graangebieden van Frankrijk waar jarenlang geen varken of kip te bekennen was, de boeren wegens de lage prijzen dit graan te gelde gaan maken door varkens en kippen te gaan mesten. Voorheen werd het graan aan de EG-interventiebureau's verkocht.

Het tweede structuurprobleem van de Nederlandse veehouderij vormen de uit de hand lopende milieukosten. De nieuwe concurenten uit de graangebieden van Europa hebben geen enkel probleem met de afzet van dierlijke mest omdat zij hun grond naast de stal hebben liggen. De Nederlandse veehouder betrekt zijn voer echter uit Amerika en Azië. Terugvoer van de mest naar die gebieden is niet mogelijk maar uitrijden naast de stal ook niet: een groot kostennadeel dus.

Ten derde zouden na deze recessieperiode de Westerse landen inderdaad serieus kunnen beginnen met het terugdringen van het gebruik aan fossiele energie vanwege de broeikas-problematiek. Het transporteren van het ene naar het andere continent van grote hoeveelheden veevoer zal altijd meer energie vragen dan de produktie van varkensvlees in de graangebieden van Europa. Zeker als de mest in de Nederlandse situatie over grote afstand moet worden afgevoerd.

In deze grote, dreigende wereld resteert de Nederlandse veehouder alleen zijn onvolprezen vakmanschap en ondernemerschap. Het zou inderdaad van ondernemerschap getuigen als de veehouders drie- tot vier honderd kilometer naar het zuiden in het grote akkerbouwgebied van Frankrijk een 'duurzame' en economische gezonde veehouderij op zouden zetten. Het zou de landbouwcoöperaties van Noord-Brabant ook niet misstaan om hier een commerciële uitdaging in te ontdekken.

De Nederlandse overheid zal er voor moeten zorgen dat de Nitraat Richtlijn wordt ingevoerd. Verlaging in zes gelijke stappen van de huidige hoge norm voor dierlijke mest naar de eindnormering van de nitraatrichtlijn in 2000 is een helder beleid. Praten over uitstel of het accepteren van zogenaamde verliesnormen in de mineralenbalans is bemestingtechnisch waanzin. Het merendeel van de landbouwgrond in het intensieve veehouderijgebied is verzadigd met fosfaat, verliesnormen staan dus gelijk met lozingsnormen. Het is verstandiger om in deze gebieden geen kilogram dierlijke mest meer toe te laten. Dan wordt de grond inderdaad weer van de overmaat aan fosfaat ontdaan. Qua bemesting is dit geen enkel probleem: op deze gronden kunnen nog jarenlang zonder een enkele kilogram fosfaat toe te voegen maximale gewasopbrengsten worden gerealiseerd. Alleen zal dan alle dierlijke mest uit dit gebied moeten worden afgevoerd. Waarschijnlijk is dat te veel gevraagd.