Weinig 'nieuwe poëzie' in film over de Vijftigers

Hotel Atonaal, Ned.3, zondag, 21.41-22.41u., volgende twee delen op 19 en 26 december, zelfde tijd.

Wat hebben ze gewild, de makers van Hotel Atonaal? Iets over 'de Vijftigers' doen. Het moest blijkbaar niet te veel over de poëzie gaan maar over, ja, waarover eigenlijk? Over hoe het begonnen is enzo, met Simon Vinkenoog in Parijs die dan het tijdschriftje Blurb opricht, terwijl in Nederland, vrijwel tegelijkertijd door Remco Campert en Rudy Kousbroek het enigszins overeenkomstige Braak wordt gemaakt. Wanneer ging jij nu ook weer precies naar Parijs, Simon? Dat moet, 'ns kijken eind '49 geweest zijn, nee '48 al, ja, september '48. Campert, Kousbroek en Vinkenoog zitten aan een cafétafeltje in Parijs, door het vele achtergrondgeluid slecht verstaanbaar met elkaar te praten. Wie zich inspant kan horen dat zij spreken over jaartallen, herinneringen, verdiensten in de jaren vijftig. Tja. Vast wel fijn om zo'n gesprek over vroeger te voeren met z'n drieën, maar niet meeslepend om naar te kijken en te luisteren.

De documentaire begint met een korte introductie, dat wil zeggen: het noemen van een naam, het tonen van een boekomslag of het laten horen van een halve dichtregel, van degenen die tot de Vijftigers worden gerekend. Buiten beeld dweept de stem van Hans Keller over wat die 'nieuwe poëzie' voor 'ons' of 'voor mij' betekende, hoe hij met vriendjes straten herdoopte (camera dwaalt door willekeurige straten): De Campertstraat, Het Schierbeekplein, het park van De Russische Dame.

Gelukkig komt Karel Eykman een poosje in beeld die alleraardigst vertelt over zijn eerste kennismaking met de dichters uit de door Vinkenoog samengestelde bloemlezing Atonaal, hoe niemand, ouders, leraren, daar iets van begreep en hoe hij de derde prijs won bij een declamatiewedstrijd op school met gedichten van Campert, Lodeizen en Lucebert die hij nog altijd moeiteloos citeert. Daarna snapten ze die poëzie beter, de volwassenen.

Waarom heeft men er voor gekozen om behalve twee gedichten van Hans Lodeizen en twee van Campert niets van de poëzie, waar het toch om gaat, te laten zien of horen? Het maakt alles tamelijk wezenloos, herinneringen aan onbelangrijkheden “Die ontmoeting zal wel in een café geweest zijn hè?”, gesprekjes over niets, opschepperij achteraf. De museumstukken spreken. Het is zo ergerlijk omdat het niet over museumstukken gaat, de meeste van de dichters die in beeld komen, zijn nog steeds heel goede dichters of zelfs nog betere dan ze toen waren, maar ze worden opgevoerd als gewezen-jongens. Laat ze dan zien als jongens! Maar blijkbaar is de beslissing geweest: geen archiefmateriaal van de Vijftigers.

Nog wel enigszins aardig is Adriaan Morriën die over Hans Lodeizen praat, al zeurt ook dat een beetje door. Het lijkt wel of iedereen in deze documentaire het verhaal al uitentreuren kent - dat is natuurlijk ook zo - en vergeet dat voor wie kijkt al die marginalia, die vermoeide herinneringen er niets toe doen. Wij willen de revolutie van toen zien, de kleuren, de klanken, ik wil best voor de zoveelste keer Jan Hanlo deftig zijn 'Oote Oote Boe' horen voordragen, liever dan Campert in 1993 door een Parijse straat te zien sloffen of Hugo Claus te horen zeggen dat Vinkenoog ooit eens in slaap viel en dat zijn toenmalige vrouw hem toen toedekte en dat hij, Claus, toen dacht: “zo moet je met vrouwen omgaan”. Het hoogtepunt van deze documentaire is, wonderlijk genoeg, een stukje Polygoonjournaal waarop je de oude Alberdingk Thijm alias Lodewijk van Deyssel op zijn vijfentachtigste verjaardag gefeliciteerd ziet worden door 'tal van letterkundigen'. Van Deyssel die beweegt, die wisselende gezichtsuitdrukkingen heeft, dát had ik nu nog nooit gezien.