'Verzekeringskamer moet lering trekken uit Vie d'Or'

EINDHOVEN, 11 DEC. “Dit zou in Nederland niet mogen voorkomen.” Hij wilde natuurlijk niemand tegen de schenen schoppen, maar bewindvoerder C. Boet bleek er gisteren van overtuigd dat een strikter toezicht op Vie d'Or door de Verzekeringskamer een boel ellende had kunnen voorkomen. Boet vatte de zaak-Vie d'Or samen door te stellen dat “de manier van zaken doen zodanig was dat het vroeg of laat wel fout moest gaan”.

Vie d'Or voerde produkten die zo veelbelovend waren dat ze te geringe marges hadden, er werden extreem hoge provisies en royalties uitgekeerd, die bovendien vooruit werden betaald. Er was te veel belangenverstrengeling tussen de directie (Maes) en het bedrijf, er waren dubieuze debiteuren (alweer Maes) en bovenal was er een slechte administratie.

Controller van Vie d'Or J.B. Remie noemt feiten die belastend kunnen zijn voor de toezichthouder, de Verzekeringskamer. “Vrijwel alle transacties met Curacao dateren uit 1988 en 1990 ”, aldus Remie. Destijds greep de Verzekeringskamer niet in. Nu worden juist deze transacties in verband gebracht met fraude.

Volgens Remie had Vie d'Or al sinds 1990 een wankele basis. “Als je het resultaat analyseert zie je dat Vie d'Or steeds een negatief verzekeringsresultaat heeft geboekt, een verlies dat alleen door eenmalige baten kon worden gecompenseerd.” Zo voerde Maes vorderingen ter waarde van 15 miljoen gulden op als bate. De vorderingen, zo blijkt uit het onderzoek van Boet, zijn niet of niet volledig inbaar. Daarnaast werden de gaten, aldus Remie, gedicht met herverzekeringen (nu geschat op 23 miljoen gulden en onderdeel van het gat van 80 miljoen gulden) en met extra kapitaalsinjecties afkomstig van aandeelhouders. De Verzekeringskamer ging uiteindelijk steeds akkoord.

De extreem hoge provisies die Boet constateerde, zijn volgens Remie steeds verantwoord. De Verzekeringskamer kon niet zien aan welke tussenpersoon provisies werden verstrekt, maar wel de gemiddelde provisie per polis uitrekenen. En die was ongewoon hoog.

Vie d'Or-directeur B. Lieuwma blijkt geen vertrouwen in de Verzekeringskamer te hebben gehad. Hij vertelt dat hij november jongstleden aantrad met de opdracht orde op zaken te stellen en voor medio 1994 een partner voor Vie d'Or te vinden. Toen hij chaos en belangenverstrengeling constateerde lichtte hij de tussenpersonen in, de aandeelhouders, de enige door hem vertrouwde commissaris, F. Dorhout Mees, en uiteindelijk op 11 november de Verzekeringskamer. Toen hij vier dagen niets hoorde stapte hij naar de pers. Waarom hij niet wachtte op het oordeel van de Verzekeringskamer: “Daar had ik zo mijn redenen voor, welke kan ik niet zeggen.”

De gang van zaken bij Vie d'Or is voor Boet reden om te concluderen dat voor wat het toezicht betreft “lering uit de zaak Vie d'Or kan worden getrokken”. Maar hoe die lering er uit zal moeten zien, is hem nog niet helemaal duidelijk. Volgens hem is in ieder geval het huidige mandaat van de Verzekeringskamer te beperkt. De toezichthouder toetst achteraf de jaarrekening en geeft dan voor een jaar lang mandaat. “De wettelijke mogelijkheden voor ingrijpen zijn ook beperkt. De enige manier is het intrekken van de vergunning. Intrekken is een paardemiddel. Dat brengt zoveel publiciteit met zich mee. Een verzekeringsmaatschappij komt dan gegarandeerd in een vertrouwenscrisis terecht, die zij in de regel niet meer overleeft.” Zie Vie d'Or, waar de factor negatieve publiciteit de neergang volgens Boet aanzienlijk heeft versneld.

De toezichthouder kan niet met zachte hand ingrijpen: het is waarschuwen, en dan meteen schieten. Reden voor Boet te suggereren dat kleinere en regelmatiger stappen mogelijk zouden moeten zijn. Daarvoor moeten volgens hem de bevoegdheden van de Verzekeringskamer verder worden aangescherpt, en zouden levensverzekeraars wellicht beter volgens uniforme boekhoudkundige grondslagen kunnen gaan rapporteren.

Boet betwijfelde dat de Verzekeringskamer voor een krachtiger rol voldoende is geëquipeerd. In het bijzonder technische verzekeringsbedrijf zijn de huidige bedrijfseconomische inzichten van de Verzekeringskamer volgens hem onvoldoende.

Afgezien van de wil om een scherper toezicht door te voeren, spelen de kosten van een toezichthoudende organisatie met een zwaarder kaliber een grote rol. “Je moet geen kwartje uitgeven om een dubbeltje te verdienen,” vindt Boet. Die voorstelling van zaken lijkt wat overdreven. Volgens de Consumentenbond bedroegen de kosten van het toezicht door de Verzekeringskamer in 1991 15 miljoen gulden, inclusief de kosten voor het intensievere toezicht op schadeverzekeraars. Dat is iets meer dan een tienduizendste deel van de nieuwe produktie aan levensverzekeringen van dat jaar.