Tuinieren in 1922

Tegenwoordig zijn tuintijdschriften maandbladen, zoals The Garden, het orgaan van de Royal Horticultural Society, Groei en bloei, Gardeners' World, of zelfs driemaandelijks, zoals Onze eigen tuin, hetgeen, in aanmerking genomen dat er ook nog aan tuinieren gewijde televisieprogramma's bestaan, ook voor de fanatiekste tuinliefhebbers voldoende moet zijn. Dat in de 19de eeuw in Engeland de mensen keuze hadden tussen meerdere wekelijkse tuinbladen is moeilijk voorstelbaar. Een van die weekbladen was de Gardeners' Chronicle, opgericht in 1841; het heeft bestaan tot 1969, waarna het werd overgenomen door The Horticultural Trade Journal.

Het blad was min of meer het equivalent van The Garden, of Groei en bloei, dat wil zeggen een algemeen tijdschrift met voor iedereen wat, niet zo wetenschappelijk als het Botanical Magazine, en niet zo grandioos als The Garden; toen ik onlangs op een vlooienmarkt een paar exemplaren uit 1922 tegenkwam heb ik ze meteen gekocht: ik was nieuwsgierig om te zien hoe een populair tuintijdschrift in 70 jaar is veranderd.

De Gardeners' Chronicle opende, net zoals vroeger The Times, met advertenties. 'FERNS! FERNS!!' roept Smith uit Londen W.W.9 en 'TURF! TURF!! TURF!!! toetert Holdrup uit Barnet. Andere firma's zijn wat ingetogener; sommige bestaan nog, zoals Sutton & Sons: 'Sutton's New Garden Seed Gatalogue for 1923 now ready''; 'Now is the time to plant KELWAY's LOVELY PAEONIES, 'WATERER's GOLD MEDAL RHODODENDRONS AND AZALEAS'', 'RIVERS' FRUIT TREES are of first class quality''.

Verkopingen worden aangekondigd van Hollandse bloembollen en 'Fine Dutch Roses', maar de enige advertentie is van 'VAN NES'S WELL-KNOWN NEW RHODODENDRONS'' (van C.B. van Nes & Sons uit Boskoop). Over Nederland is er verder alleen nog dit wat minzame nieuws-item, dat ik hier met spelfouten en al citeer: '...a Chrysanthemum show is being held at the Palais voor Volksolyt from October 26 to October 31. Many of the Dutch nurserymen grow Chrysanthemums extensively and well.''

Te oordelen naar de advertenties en verdere inhoud van het tijdschrift waren de meest populaire planten in 1922 orchideeën en dahlias ('wikkel de stelen in watten als je ze tentoon wilt stellen: oorwurmen en rupsen houden niet van watten'') en chrysanten. 'The week's work'' begint met The Orchid Houses, een vaste rubriek door J.T.Baker, 'Gardener to His Grace the Duke of Marlborough'' in Blenheim Palace. Vaste planten, waaraan in de moderne tuinperiodieken veel meer ruimte besteed wordt, kregen in 1922 ongeveer evenveel aandacht als vruchtbomen, en dat nogal saai, hoewel een paar artikelen van A.T. Johnson, over Lithospermum rosmarifolium en Tiarella unifoliata met hoofd en schouders uitsteken boven de rest. Johnson was de schrijver van verschillende tuinboeken en tuincorrespondent van The Times; verschillende planten zijn naar hem genoemd en hij geldt ook als de pionier van het labour-saving tuinieren.

Op dezelfde bladzijde als het artikel over de Lithospermum (wat misschien het meest frustreert bij het lezen van tuinbladen uit die periode is dat zoveel planten sindsdien van naam zijn veranderd; van de hier genoemde heb ik de moderne naam niet kunnen vinden) staat een meesterstukje van on-informatie, door R. Irwin Lynch: 'Het is misschien van belang hier op te merken dat het mogelijk schijnt te zijn het geslacht van de Ginkgo te bepalen door te letten op het moment van bladverlies onder overigens gelijke omstandigheden. Er wordt wel gezegd dat het ene geslacht daar vroeger mee is dan het ander, maar ik ben vergeten welk.''

Dan is er een kreet om hulp van Lord Formakin inzake zijn Gentiana sino-ornata: 'Ik heb hem geprobeerd in zon en in schaduw, in vochtige en droge grond, in turf, bladaarde, klei, zand, kalk, as en iedere denkbare soort grond en plaats, en hij weigert hardnekkig om bij mij te bloeien (...) Ik heb ook een exemplaar van mijn plant geruild tegen een uit de Botanische tuinen van Edinburgh, maar terwijl het exemplaar dat ik naar Edinburgh gestuurd heb bloeide, deed degene die ik er voor in de plaats kreeg niets anders dan groeien en hij schijnt mij beter dan voor tuindecoratie geschikt voor veevoeder.'' Merk op met hoeveel zelfbeheersing hier de meest dolmakende ervaring wordt beschreven die het tuinieren kan bieden: 'De plant die ik naar Edinburgh gestuurd heb bloeide.''

Frank Kingdon-Ward stuurde dépeches over zijn planten-expedities naar de Gardeners' Chronicle, en het nummer van 16 December 1922 bevat er een over een reis naar Yung-ning in China. Die paar dagen in het leven van een plantenjager maken een levendiger indruk dan zijn boeken: hij beschrijft het vinden van planten die je al hebt en speculeert over de onmogelijkheid, tot dat tijdstip, om in Engeland Primula sonchifolia uit zaad te kweken.

Zoals past bij een tijdschrift dat mede werd opgericht door Joseph Paxton, de hoofdtuinman van de hertog van Devonshire, zijn er veel advertenties voor de betrekking van tuinman, beginnend met Head Working Gardeners en vandaar omlaag via Foreman, Second Gardener, Journeyman, Improver (wat dat ook precies mag zijn) tot aan de nederige Garden Boy. Advertenties voor tuinlieden op zoek naar een nieuwe baan werden vaak door hun vorige werkgevers geplaatst; een ervan was Lord Landsdowne, die 'gaarne wilde aanbevelen Mr W. Arrowsmith, die voor meer dan tien jaar de tuinen en erven beheerd heeft in Derreen, de residentie van Lord Landsdowne in Kerry, welke geheel is vernietigd''. Bij zoiets realiseer je je ineens de verschrikkelijke realiteit van de burgeroorlog die inderdaad op dat moment in Ierland woedde en waarin de prachtigste landgoederen, die voor een groot deel uit de 18e eeuw dateerden, stelselmatig in brand werden gestoken.

Tuinbouwvakscholen voor vrouwen bestonden in 1922 al een paar jaar, maar ik vond maar twee vrouwen die naar een betrekking solliciteerden. Zij zijn de enigen die hun kwalificaties specificeren ('college trained, R.H.S. graduate'' - de mannen volstonden met een luchtige verwijzing naar 'life experience''), en ze kwamen helemaal aan het eind van de lijst, na Garden Boys. Over hun kansen kun je vrees ik alleen maar pessimistisch zijn.

Het meest opvallende van dat tijdschrift is het ontspannen gevoel van niets omhanden te hebben dat er uit opstijgt. Niet vrije tijd in de moderne betekenis, maar meer een gevoel van extra tijd en ruimte (gezwegen van de goedkope werkkrachten). De artikelen hebben nogal eens de neiging om af te dwalen en staan vol gezellige terzijdes; de toon is opvallend onmodieus en geciviliseerd. De deskundige babbeltoon en de onderdrukte geestdrift maken dat het meer lijkt op een tijdschrift als Hortus, of de verhandelingen van een geleerd genootschap, zoals The Hardy Plant, dan op een hedendaags tuinblad, om maar te zwijgen van de oppervlakkigheid van de wekelijkse televisieprogramma's waar het eigenlijk nog het meest het hedendaagse equivalent van is. De schrijvers nemen de kennis van hun lezers als vanzelfsprekend aan en kunnen zich op een directe manier tot hen richten, zonder rekening te moeten houden met de minder gerichte en kortere concentratieduur van het publiek van de moderne tuinperiodieken.