Tegen de Spaanse tirannie

Images of discord. A graphic interpretation of the opening decades of the Eighty Years' War JAMES TANIS EN DANIEL HORST 123 blz., Bryn Mawr College Library / Wm. B. Eerdmans Publishing Company 1993, ƒ 39,50

The political thought of the Dutch Revolt 1555-1590 MARTIN VAN GELDEREN 332 blz., Cambridge University Press 1992, ƒ 110,10

De tentoonstelling 'Prentkunst als propaganda aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog' is nog tot 9 januari te zien in de Universiteitsbibliotheek te Leuven.

Enkele jaren geleden dook in de bibliotheek van Bryn Mawr College in de Amerikaanse staat Pennsylvania een merkwaardige ets op. De linkerzijde van de voorstelling wordt ingenomen door de muil van een gruwelijk monster. In de bek van het beest is een soort platform opgetrokken, dat bestaat uit een reusachtig boek. Dit wordt gedragen door vier in kerkelijk gewaad gehulde figuren. Op dit wankele toneel bevindt zich een zonderling gezelschap. Een zittende figuur in harnas, met zowel ezelsoren als hoorntjes op het hoofd, neemt de centrale plaats in. Hij wordt omringd door verscheidene andere duivelse personages, waaronder een man met een kardinaalshoed, iemand gehuld in het gewaad van een theoloog, en een Medusa die een parasol van pauweveren draagt. De zittende figuur houdt een ketting vast waaraan zeventien vrouwenfiguren zijn geketend. Deze dames worden op een huiveringwekkende wijze op de proef gesteld: één wordt door een geharnaste figuur op het hoofd geslagen met een moker in de vorm van een wolfskop; een andere wordt door een monnik en een duivel aangerand; een derde wordt in een reusachtige pers uitgeknepen; weer een andere wordt door een bisschop onder een molensteen verpletterd. Op de achtergrond zien we hoe gewapende mannen een katholieke processie aanvallen en hoe een groep geknielde mannen en vrouwen in gebed is verzonken. In de lucht zingt een aandoenlijk koortje geestelijken, bestaande uit een zwijn, een ezel, een hond, een uil en een poes, een hymne: de hertog van Alva is gezonden, hij is onze hoop, halleluja!

Onlangs is deze, aan de Antwerpse kunstenaar Joris Hoefnagel toegeschreven, ets samen met een dertigtal andere zinnebeeldige voorstellingen tentoongesteld in de Atlas van Stolk te Rotterdam. De bizarre voorstelling heeft betrekking op de beginjaren van de Nederlandse Opstand. In de centrale figuur, die letterlijk de touwtjes in handen heeft, is de hertog van Alva te herkennen. De zeventien geketende vrouwen stellen de Nederlandse gewesten voor. En na enig speurwerk identificeert men ook de gelaatstrekken van de prins van Oranje, de graven van Egmond en Horne en de kardinaal Granvelle.

Propaganda

James Tanis en Daniel Horst hebben de allegorieprenten in de hier te bespreken catalogus deskundig ingeleid en van commentaar voorzien. De meeste van de zinneprenten in dit boek zijn wel eens eerder afgebeeld. Het vernieuwende van deze publikatie is echter dat de prenten deze keer niet worden gebruikt als illustraties bij een verhaal dat bekend wordt verondersteld, maar zelf voorwerp van onderzoek zijn.

Het blijkt dat de kunstenaars gebruik maakten van een beperkt aantal visuele thema's, die met kleine wijzigingen steeds opnieuw opduiken. Een voorbeeld van zo'n motief is de, ook door Hoefnagel gebruikte, troon van de hertog van Alva, waarop de IJzeren Hertog, omringd door zijn raadgevers, de geboeide Nederlandse provinciën in bedwang houdt. Veel prenten zijn opgebouwd volgens een eenvoudig schema van twee tegengestelde polen. Aan de ene zijde ziet men bijvoorbeeld Willem van Oranje, omstuwd door allegorische figuren die allerlei deugden voorstellen, aan de andere zijde Alva, temidden van de krachten van het kwade. Leggen historici tegenwoordig de nadruk op het complexe karakter van de Opstand, voor de zestiende-eeuwse propagandisten lag de zaak eenvoudig: gewetensvrijheid tegenover geloofsdwang, verdediging van privileges tegenover tirannie, de waarheid van het Evangelie tegenover het bedrog van de kerk van Rome.

Over de feitelijke verhoudingen in de Opstand leren de afbeeldingen ons weinig; ten hoogste geven ze een grof vertekend beeld. Des te meer kunnen we te weten komen over de voorstellingswereld van degenen die het conflict ondergingen. Wie de moeite neemt de platen nauwkeurig te bestuderen, wordt een wonderbaarlijke wereld binnengevoerd van allegorieën en emblemen, van bijbelse vergelijkingen en verwijzingen naar de klassieke oudheid.

Veel vragen blijven daarbij nog open. Voor welk publiek waren deze voorstellingen bijvoorbeeld bestemd? Een voor de hand liggende veronderstelling is dat visuele propaganda tot doel had de ongeletterde massa tot de zaak van Opstand te bekeren. Maar bij nader inzien is deze gedachte niet aannemelijk. De boodschap die de prenten overbrengen mag eenvoudig zijn, de beeldtaal waarin deze is vervat, is in de meeste gevallen gecompliceerd. Om de vele toespelingen op de bijbelse en de klassieke geschiedenis, de emblematiek en de vele bijschriften (dikwijls in het Latijn gesteld) te ontcijferen, was een gedegen humanistische opleiding onontbeerlijk.

De onderdrukking van de 'ware' gereformeerde godsdienst en van de politieke vrijheid (belichaamd in de privileges) waren de belangrijkste misstanden die in de grafische kunst van de Opstand aan de kaak werden gesteld. Het zijn natuurlijk dezelfde thema's die men aantreft in de vele honderden politieke pamfletten die de strijd van de opstandelingen begeleidden. De Nederlandse Opstand was het eerste grote politieke conflict waarin het nieuwe wapen van de drukpers op grote schaal werd gehanteerd.

Dwingelandij

Met de politieke theorie ten tijde van de Nederlandse Opstand is het eigenaardig gesteld. Het afzweren van de wettige vorst Philips II en de instelling van republikeinse staatsinstellingen was een ongehoorde stap in het Europa van de zestiende eeuw. Toch zou, volgens de meeste deskundigen, de revolutie niet hebben geleid tot enige theoretische reflectie van betekenis. Het republikanisme van de opstandelingen was, in de woorden van één geleerde, 'meer opinie dan doctrine'. Volgens een andere kenner was het grotendeels ontleend aan Franse theoretici. De Nederlanden zouden in de tijd van de Opstand (en dus vóór het optreden van de gebroeders De la Court en Spinoza) geen politieke denkers van het formaat van een Machiavelli, Althusius, Locke of Rousseau hebben gekend. Ons land verkeerde daarmee in de unieke situatie dat het eerder dan enig ander land in opstand was gekomen tegen het vorstelijk gezag, maar dat deze strijd niet zou hebben geleid tot de ontwikkeling van een coherent stelsel van politieke theorieen, die de strijd motiveerde en legitimeerde.

Deze visie wordt bestreden in het proefschrift van Martin van Gelderen. Op basis van de lectuur van niet minder dan achthonderd politieke verhandelingen, gedrukt tussen 1555 en 1590, toont Van Gelderen overtuigend aan dat de opstandelingen wel degelijk een oorspronkelijke republikeinse ideologie formuleerden. De politieke theorie van de Nederlandse Opstand kwam geleidelijk en in voortdurende wisselwerking met de strijd tegen de regering tot stand. Drie grote intellectuele discussies gaven achtereenvolgens vorm aan deze ideologie: de rechtvaardiging van de oppositie en het gewapende verzet tegen Philips II, het debat over de beste regeringsvorm en het debat over de verhouding tussen kerk en staat.

Centraal in de politieke theorie van de Nederlandse Opstand stond het begrip vrijheid. Die vrijheid kon op vele manieren worden geïnterpreteerd, maar een van de meer oorspronkelijke bijdragen van de Nederlandse opstandelingen aan het vrijheidsbegrip was de notie van de vrijheid van het geweten. Het krachtigste pleidooi voor gewetensvrijheid is te vinden in geschriften van gereformeerd-protestantse signatuur. Maar het begrip vrijheid had natuurlijk ook een politieke betekenis. Het verzet tegen de regering van Philips II werd gelegitimeerd als de verdediging van de traditionele Nederlandse vrijheid tegen een tiranniek bewind. Deze vrijheid moest worden gegarandeerd door een constitutioneel kader, dat bestond uit bepaalde fundamentele wetten (privileges, blijde inkomsten, verdragen en wat dies meer zij) en door een aantal instellingen, in het bijzonder de vergaderingen van de Staten. De Staten waren geen 'lagere' magistraten: ze werden voorgesteld als soevereine machten, die tot taak hadden de privileges en het gemene welzijn te verdedigen. Omdat de vorst de grenzen van zijn gezag had overschreden, waren de Staten, als representanten van het volk, bevoegd hem af te zetten.

Cicero

De Staten waren niet de enige verdedigers van de Nederlandse vrijheid. De politieke theorie van de Opstand deed tevens een beroep op de burgerzin van de individuele onderdanen van de Nederlandse gewesten. Vrijheid, privileges, statenregering, volkssoevereiniteit en burgerschap vormden aldus de voornaamste ingrediënten van de ideologie van de Nederlandse Opstand.

Deze ideologie had twee intellectuele wortels. Enerzijds was zij gebaseerd op de moderne denkbeelden van renaissance en humanisme. De geschriften van Cicero en Sallustius in het bijzonder, waarin de deugden van de Romeinse republiek werden bezongen, vormden voor de opstandelingen in de Lage Landen een stimulans hun vrije republiek te verdedigen tegen de dwingelandij van de Spaanse koning, net zoals het civic humanism in de Italiaanse renaissance de burgers van Florence had aangespoord de vrijheid van hun stad te bewaren. In het klassiek-republikeinse vocabulaire was de kern van het burgerschap gelegen in actieve deelname aan het politieke proces. Het Nederlandse republikanisme steunde daarnaast echter op een juridische traditie, waarin het wezen van het burgerschap in het bezit van bepaalde rechten werd gesitueerd. De politieke ideologie van de Opstand bestond dus uit een mengsel van twee politieke 'talen', die van het recht en de jurisprudentie, en die van het Renaissance-republikanisme.

Na het verschijnen van Van Gelderens goed gedocumenteerde studie zal het moeilijk zijn vol te houden dat Nederlandse denkers geen bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van het republikeinse gedachtengoed. Maar de vraag of latere liberale en democratische ideeën iets ontleend hebben aan de politieke theorie van de Nederlandse Opstand, blijft onbeantwoord. Lieten de grondleggers van constitutionalisme, liberalisme en democratie zich inspireren door zestiende-eeuwse Nederlandse pamfletten? Of bleef de ideologie van de Nederlandse Opstand geïsoleerd, en stierf zij, samen met de Republiek zelf, in 1795 een zachte dood?