Robert van Gulik; Een rusteloos genie

Een man van drie levens. Biografie van diplomaat/schrijver/geleerde Robert van Gulik C.D. BARKMAN EN H. DE VRIES-VAN DER HOEVEN 319 blz., geïll., Forum, ƒ 39,90

Toen Robert van Gulik na de oorlog als politiek adviseur aan de Nederlandse militaire missie in Tokio, de voorloper van de ambassade, verbonden was, kwam hij er achter dat de boekenmarkt 'werd overstroomd met derderangs misdaadromans van jonge Japanse schrijvers over Chicago en New York''. Wat niet zo verwonderlijk was: Japan werd in die periode bezet door de Amerikanen.

'Om hun te laten zien hoeveel voortreffelijk materiaal er was in de oude Chinese misdaad-literatuur,'' besloot Van Gulik, gepromoveerd sinoloog, zijn eigen Engelse vertaling te publiceren van een antieke Chinese detectiveroman, Dee Goong An. Hoewel dit boek goed werd verkocht, leidde het niet tot het door Van Gulik gewenste resultaat: de Chinese en Japanse auteurs 'voelden zich niet gedrongen zelf zulke romans te schrijven,'' zoals hij in zijn autobiografische notities opmerkt. 'Daarom besloot ik dat zelf te gaan doen, bij wijze van experiment, en schreef ik The Chinese Bell Murders.''

Het bleek een besluit met grote, onvoorziene gevolgen. The Chinese Bell Murders (in het Nederlands: Klokken van Kao-yang) zou het begin vormen van een reeks detectiveromans met de Chinese rechter Tie in de hoofdrol, die over de hele wereld bekend werd. Carl Barkman, hoofdauteur van de deze week verschenen biografie van Robert van Gulik, zegt in zijn voorwoord dat er 'meer dan een miljoen exemplaren zijn verschenen in vele talen''.

Maar er zat nog een geheel ander, zeker zo onverwacht aspect aan de introductie van rechter Tie. Het eerste, voor de Japanse markt bestemde deel werd geweigerd omdat het naar de mening van de uitgever het boeddhisme in een ongunstig daglicht plaatste. Hierop schreef Van Gulik tussen zijn werkzaamheden als Nederlands diplomaat in naoorlogs Japan door, een tweede boek, The Chinese Maze Murders (in de latere Nederlandse vertaling: Labyrinth in Lan-fang), dat door de Japanse uitgever werd geaccepteerd op voorwaarde 'dat het een kleurig omslag kreeg met een naakte vrouw''.

Van Gulik verzette zich hiertegen met het argument 'dat de Chinezen geen erotische kunst kenden en dat ik ook (net als alle andere details - DvdP) de illustraties van het boek geheel authentiek wilde houden''.

De uitgever won. 'Als ik er maar naar zou zoeken, zou wel blijken dat de oude Chinezen stellig erotische kunst hadden bezeten,'' schijnt hij tegen Van Gulik te hebben gezegd - en inderdaad: nadat Van Gulik aan diverse boekhandelaren en antiquaren briefkaarten had gestuurd, kwam hij in contact met een Chinese verzamelaar die enkele erotische Ming-albums bezat en een antiquaar in Kyoto, die de originele drukblokken van zo'n album had.

'Deze ontdekking,'' schrijft Van Gulik in de autobiografische notities waarop het boek van Barkman en De Vries in belangrijke mate is gebaseerd, 'bracht mij ertoe een studie te wijden aan de Chinese erotische kunst en het Chinese seksuele leven, hetgeen resulteerde in mijn grote werk Erotic Colour Prints of the Ming Period, later gevolgd door Sexual Life in Ancient China''.

Het is een van de vele, verrassende en onbeantwoorde raadselen in Een man van drie levens: hoe kon het dat een man die ons op vrijwel iedere bladzijde als een soort sinologisch genie wordt afgeschilderd, een man met 'een superieur intellect'' en een onbegrensde belangstelling, zéker ook op seksueel terrein, pas door zo'n betrekkelijk onbetekenend voorval tot de ontdekking kwam dat de Chinezen in het Ming-tijdperk een bloeiende erotische prentkunst hadden gekend? Hoe kon het dat het simpel versturen van een aantal briefkaarten ten slotte het middel zou blijken te zijn om een collectie Chinese erotica van kennelijk onschatbare waarde aan te leggen, waaraan Van Gulik bovendien twee formidabele studies ontleende, die volgens zijn biografen (allebei zelf sinoloog) nog steeds tot de standaardwerken op hun gebied behoren?

Van Gulik gaf Erotic Colour Prints in eigen beheer uit, in een editie van slechts enkele tientallen exemplaren die hij aan universiteiten over de hele wereld ter beschikking stelde, op voorwaarde dat ze alleen door een beperkt aantal vakgeleerden konden worden ingezien. De oorspronkelijke drukblokken die hij had verworven, liet hij afschaven - vermoedelijk, zegt Barkman, omdat daardoor zijn editie aan zeldzaamheid won.

Luitspeler

Het uitzonderlijke leven van Robert van Gulik begon in 1910 in Zutphen, waar hij werd geboren als zoon van een geneeskundig officier in het KNIL, en eindigde 57 jaar later in Den Haag, waar hij overleed aan longkanker. Hij was op dat moment de Nederlandse ambassadeur in Tokio - het eindpunt van een diplomatieke carrière die in 1935, toen hij 25 jaar was, in diezelfde stad een aanvang had genomen. De 'drie levens' uit de titel hebben niet alleen betrekking op Van Guliks voornaamste bezigheden, maar ook op wat je de geografie van zijn leven zou kunnen noemen. Barkman, die als diplomaat onder Van Gulik heeft gediend, hem goed heeft gekend en die vijftien van de zeventien, vrijwel doorlopend bewonderende hoofdstukken voor zijn rekening heeft genomen, onderscheidt een 'Nederlands', een 'Chinees' en een 'Japans' leven bij Van Gulik.

Op beide terreinen zouden de 'drie levens' gemakkelijk uit te breiden zijn tot vijf of zes. Van Gulik was niet alleen diplomaat, schrijver en groot, veelzijdig geleerde, maar bij voorbeeld ook luitspeler, kalligraaf en illustrator, liefhebber van vrouwen, liefhebber en kenner van gibbon-aapjes (waar hij een geleerd opstel over schreef, The Gibbon in China, dat hij vlak voor zijn dood voltooide), vader van vier kinderen en geheim agent. Net zomin als zijn leven beperkt bleef tot Nederland, China en Japan: hij bracht een groot deel van zijn jeugd door in voormalig Nederlands-Indië, wat van beslissende invloed op zijn levensloop zou blijken te zijn, hij woonde en werkte enige tijd in Oost-Afrika (waar hij in de Tweede Wereldoorlog voor de Geallieerden de Japanners moest bespioneren) en was gestationeerd in Washington, New Delhi, Beiroet en Kuala Lumpur, zijn eerste ambassadeurspost.

Hoe uitzonderlijk Robert van Gulik was, bleek al vroeg. Hij begon te roken toen hij zeven jaar was en op zijn elfde had hij zijn eerste boek voltooid, over het wajangspel. 'Zo systematisch en wetenschappelijk van opzet,'' aldus zijn biografie, dat alleen zijn handschrift zijn leeftijd verried. Toen hij in de zesde klas van het gymnasium zat, in Nijmegen, legde hij samen met prof. dr C.C. Uhlenbeck (bij wie hij privélessen Sanskriet volgde) de taal der Algonquin-indianen vast in een woordenboek.

Na zijn eindexamen ging hij naar Leiden om er, onder meer, Chinees en Japans te studeren. Omdat hij 'verlangde naar zinnelijke genietingen'', zoals hij in zijn autobiografische aantekeningen schreef, ging hij er samenwonen met een achttien jaar oudere weduwe, Nelly Remouchamps. Het leeftijdverschil kon hij prima wegcijferen: zij zag er tien jaar jonger uit dan ze was en zelf zag hij er ten minste tien jaar ouder uit. Aan deze verhouding kwam een abrupt eind - op haar initiatief - toen hij vijf jaar later, cum laude afgestudeerd èn gepromoveerd, naar Japan en China vertrok.

Na een intermezzo in Afrika en het Midden-Oosten, waar hij onder andere een 'verleidelijk-mooie' Egyptische prinses moest schaduwen, werd hij in 1943 overgeplaatst naar Chunking, de Chinese oorlogshoofdstad. Hier leerde hij de uit Peking afkomstige, 22-jarige Shui Shih-fang kennen, met wie hij de rest van zijn rusteloze leven getrouwd zou blijven.

In Chunking maakte hij met nog iemand kennis die hem tot zijn dood toe zou blijven vergezellen: rechter Tie, meester-detective uit het T'ang-tijdperk, met wie hij zich in een later stadium, toen het beschrijven van diens avonturen een van zijn voornaamste bezigheden was geworden, in zekere zin vereenzelvigde.

Kao Lo-p'ei, zoals zijn Chinese naam luidde (Kao = Gu(lik), Lo-p'ei = Robert), zag zichzelf als de klassieke ambtenaar-geleerde, zoals die eeuwenlang in de traditie van keizerlijk China had bestaan. Van beroep was hij diplomaat, maar van roeping in de eerste plaats geleerde; en het beroep moest vaak voor de roeping wijken, zo blijkt overduidelijk uit zijn levensbeschrijving.

Hij kon geen taal waarmee hij in aanraking kwam, met rust laten. 'Nu en dan leerde hij er andere taal bij,'' schrijft Barkman met ongebruikelijk gevoel voor understatement. Dat leidde tot een haast onwaarschijnlijk aandoende lijst: onder meer Maleis, Javaans, Russisch, Mongools, Tibetaans, Hindi, Koreaans (hij was ook in Zuid-Korea geaccrediteerd, toen hij ambassadeur in Japan was), Portugees, Spaans, Arabisch en Thais - al zal hij die talen lang niet allemaal even grondig hebben beheerst als het Chinees en Japans, waarin hij zich op alle niveaus vloeiend kon uitdrukken.

Houterig

Robert van Gulik was, zoals de Engelse uitdrukking luidt, larger than life (ook fysiek: hij was tegen de twee meter lang) en de biografie die Barkman met assistentie van mevrouw De Vries aan hem wijdt, vormt daarvan alleszins de weerspiegeling. Doordat het levensverhaal van Van Gulik ongewoon, spannend en bij vlagen ronduit fascinerend is, laat het zich lezen als een trein - ondanks de manier waarop beide auteurs zich daarvan meester hebben gemaakt. Ze hebben een vlakke, houterige, onhandige schrijfstijl ('De Van Guliks konden goed tegen het klimaat, en het altijd groene landschap met de blauwe bergen verveelde hen nimmer'; 'Nu komt er iemand in zijn leven wier naam nog vaak gehoord zal worden'''). Zowel Barkman als De Vries-Van der Hoeven (die de twee laatste Tokio-hoofdstukken schreef) tonen zich hoogst onkritisch in hun benadering, af en toe zelfs op het hagiografische af. Het aantal keren dat er van een 'geweldig', dan wel een 'superieur' intellect sprake is, is niet te tellen. De enige kritiek die Barkman zich op zijn vroegere chef permitteert, geldt diens politieke inzichten die hij als oerconservatief, kolonialistisch, anticommunistisch en zelfs naïef en geborneerd kwalificeert. Alle overige feilen en tekortkomingen van Van Gulik worden vergoelijkt.

Hoe onderhoudend Een man van drie levens desondanks ook is, als biografie is het boek onder de maat. Het is in feite een als biografie vermomde autobiografie. De uitgebreide autobiografische aantekeningen die Van Gulik voor zijn Engelse uitgever schreef, zijn integraal door zijn biografen overgenomen, hetzij in de vorm van lange, soms paginalange citaten, hetzij in eigen woorden naverteld.

Deze vertelling is hier en daar aangevuld met eigen waarnemingen en herinneringen (waarin de desbetreffende auteur zich doorgaans enigszins zot in de derde persoon aandient: 'Barkman herinnert zich...'), of die van anderen, zoals van Van Guliks vriend en collega-diplomaat dr. H.N. Boon. Op die plaatsen neemt het boek het karakter van een liber amicorum aan.

Het gevolg van deze werkwijze is dat Een man van drie levens vol raadsels staat, die nergens worden verklaard omdat Van Guliks autobiografie daarover kennelijk geen uitsluitsel geeft. Eén klein voorbeeld: de hoofdpersoon blijkt, terwijl hij nog studeert in Leiden en bijbaantjes heeft, plotseling paard te rijden met Lucienne Boyer in Parijs. Hoe hij haar heeft leren kennen, welke rol ze in zijn leven speelt - het zijn vragen die, als ontelbare andere, niet worden beantwoord.

Nee, een goede biografie valt Een man van drie levens helaas met geen mogelijkheid te noemen. Maar ik heb het boek wèl ademloos gelezen - het vertelt een verhaal dat eenvoudig niet stuk kan.