'Redacties moeten zich voor hun rechten interesseren'; Proefschrift over redactie statuten

TILBURG, 11 DEC. Alleen met een sterk identiteitsbesef kunnen kranteredacties met succes een vuist maken tegen ongewenste en onnodig geachte fusies. Redactiestatuten, die nu geen enkele bescherming bieden, kunnen dan ook beter vervangen worden door identiteitsverklaringen. Een nog betere bescherming biedt het om in de ondernemingsstatuten een verklaring op te nemen dat aan de identiteit van kranten niet gemorreld mag worden zonder toestemming van de redactie.

“Een dergelijke bepaling is vastgelegd in het ondernemingsstatuut van de Leeuwarder Courant. Als de uitgever van die krant morgen met de Telegraaf fuseert, hoeft voor de Leeuwarder Courant helemaal niets te veranderen”, zegt dr. W. Teeuwen, die onlangs aan de Rijksuniversiteit Limburg promoveerde op het proefschrift 'Het dagblad onderscheidt zich, redactiestatuten in Nederland en Duitsland'. Teeuwen, oud-journalist en thans docent op de school voor de journalistiek in Tilburg, bestudeerde grondrechtelijke aspecten van redactiestatuten, die de verhoudingen regelen tussen redactie, hoofdredactie en uitgever.

Voor Teeuwen is het duidelijk dat wanneer de economische basis voor een krant ontvalt, ook de redactie weinig meer in te brengen heeft. “Maar veel van de huidige fusies bij met name regionale kranten zijn veel te lichtvaardig, worden nu vaak doorgezet door beursgenoteerde ondernemingen die naar rendement en 'efficiency' kijken. Als de redacties van die kranten zich meer voor hun grondrechten zouden interesseren, en dat doen ze te weinig, zou het niet zover hoeven te komen.”

Sinds 1977 is een dagbladonderneming op grond van de CAO voor dagbladjournalisten verplicht een redactiestatuut in te stellen voor een uitgave met 15 redacteuren of meer. De meeste kranten hebben zich daarbij laten leiden door het 'modelstatuut' dat de verenigde uitgevers overeenkwamen met de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ). Kranten namen het in 1977 grotendeels over, omdat er relatief weinig tijd was tussen het afsluiten van de overeenkomst en de (verplichte) ingangsdatum, maar ook omdat het stuk gepresenteerd werd als 'minimum-regeling'.

In het modelstatuut is beslissende invloed van de redactie op 'structuurwijzigingen' van de onderneming onvoldoende gewaarborgd. “In de huidige regeling kan een redactie uitsluitend via een ondernemingsraad meebeslissen over een reorganisatie, een fusie of een samenwerkingsverband. Maar in dat orgaan, het enige dat zich met succes weerbaar kan opstellen tegenover plannen van de directie, vormt de redactie slechts een minderheid. Grafici of administratief personeel kunnen tegen de zin van de redactie besluiten doordrukken.”

Volgens Teeuwen is het modelstatuut op een “foute basis” ingevoerd. Het is gemaakt door CAO-partners, die elkaar vonden op een arbeidsrechtelijk platform, met de pretentie het voor alle kranten te weten. “De CAO-partners waren voor een dergelijk ideëel stuk als een redactiestatuut eigenlijk helemaal niet bevoegd. Uitsluitend redacties weten wat de identiteit is van hun krant, alleen zij weten ook hoe de uitgever de krant ziet. Dus zijn alleen uitgever en redacties gerechtigd regeltjes op te stellen over de verhouding tussen elkaar en de identiteit van de krant.”

Bij overleg hierover tussen redactie en uitgever zal volgens Teeuwen soms de balans doorslaan naar de redacties, op andere momenten naar de uitgevers. “Bij de Friesche Persvereniging, de uitgever van het Friesch Dagblad, weten ze precies wat de identiteit van de krant is. Die houden ze ook in de gaten. Maar die vereniging is niet vergelijkbaar met de uitgever die vijf of zes kranten uitgeeft. Overleg in zo'n 'concern' zou kunnen leiden tot de uitspraak van de uitgever dat hij de pretentie ook zorg te dragen voor de inhoud niet kan waarmaken. Bijvoorbeeld in de regio, waar kranten diep verankerd zijn in een klein gebied, waar alle redacteuren bij wijze van spreken iedereen kennen en de hoofdredacteur een persoon met aanzien is, maar waar de uitgever vaak ver weg zit. Daar zou een redactie kunnen zeggen, wij willen meer zeggenschap bij de benoeming van een hoofdredacteur. En wanneer het blad een kopblad dreigt te worden (de krant wordt een dan 'dochterblad' met voor het overgrote deel de inhoud van meestal de grootste en belangrijkste krant van het concern, red.), zou de redactie moeten kunnen zeggen: dat willen we niet of we willen een beslissende stem”.

De praktijk leert volgens Teeuwen dat zeker bij regionale kranten de redactie kwetsbaar is. “Toen NDU en Perscombinatie wilden fuseren, waren de redacties van met name NRC Handelsblad en de Volkskrant krachtig genoeg de fusie te verhinderen door simpelweg hun stem te verheffen. Bij regionale kranten krijgt een uitgever nu snel zijn zin door te dreigen met 'voor jullie 100 anderen'.”

Eigenlijk vindt Teeuwen een redactiestatuut overbodig. Volstaan zou kunnen worden met een identiteitsverklaring en, apart, een regeling voor de verhouding tussen redactie en hoofdredacteur. Kranten zouden regelmatig hun beginselverklaring moeten afdrukken, of hun uitgangspunten in het colofon vermelden. De positie van de hoofdredacteur kan versterkt worden door hem ook civielrechtelijk de volledige verantwoordelijkheid te geven. “Dat betekent dat hij ook zou moeten opdraaien voor schadevergoedingen. Jammer voor de kerstgratificatie als het een keertje misgaat.”