Privy Council

Het Britse socialistische Lagerhuislid Tony Benn had van jongsaf ervan gedroomd eens Privy Councillor te worden, maar toen hij het was geworden en de inwijdingsrituelen had meegemaakt, walgde hij ervan en nam hij zich voor, als hij ooit de kans kreeg, het constitutionele kavalje met de grond gelijk te maken.

Zijn partij- en ambtgenoot Richard Crossman was wat minder radicaal, maar koesterde als Lord President of the Council wel intense gedachten over een hervorming van het ruim zevenhonderd jaar oude orgaan. De Privy Council was volgens hem 'een futiele poppenkast', die geen enkele staatkundige betekenis meer had maar ridicule, overleefde initiatievormen in stand hield en toch al overbezette ministers vaak tot overbodig reizen dwong naar de buitenverblijven van de koningin, het hoofd van de Privy Council om wie het allemaal te doen was. 'Als het nodig is voor de betovering van de monarchie, heb ik er vrede mee,'' noteerde Crossman in 1967 in het tweede deel van zijn ministeriële dagboeken, maar hij twijfelde eraan of de koningin zelf wel wist wat ze haar ministers ermee aandeed, want alle arrangementen, ook voor het reizen, waren uitsluitend op hovelijk en ambtelijk niveau voorbereid.

De socialistische beeldenstormers Tony Benn en Richard Crossman trommelden op gezette tijden als gorilla's op hun borst om hun mannelijkheid te demonstreren, maar ze kwamen beiden tot niets. Ze sloegen een gat in de lucht, zoals bij ons de eeuwige pleitbezorgers voor de afschaffing van de Eerste Kamer dat altijd deden. Socialisten met krachtige principes die er nooit een kabinetsformatie aan zouden wagen. Als je de oude rot Jan Broeksz vroeg of hij zou meewerken aan de verdwijning van de Eerste Kamer, waarin hij jarenlang de PvdA vertegenwoordigde, kreeg hij een vermoeid gezicht en gaf hij ten antwoord dat het afschaffingsstreven iets was voor een partijprogramma maar niet voor de politieke werkelijkheid.

Ook Tony Benns iconoclasme heeft in een 40-jarige politieke loopbaan zelfs in zijn eigen partij nooit meer dan meewarige knipogen geoogst. In zijn onlangs gepubliceerde, zoveelste politieke manifest voor een gemoderniseerde constitutie (Common Sense. A New Constitution for Britain, uitg. Hutchinson, Londen) belooft hij weer onvoorwaardelijke afschaffing van de Privy Council, maar als hij morgen in de regering benoemd zou worden, zou hij hetzelfde doen wat hij in het verleden al zo vaak heeft gedaan: gekke bekken trekkend zou hij gaan.

Want dat hebben alle critici met elkaar gemeen, van de meest establishment-vijandige socialisten tot de minst koningsgezinde Conservatieven, ze lachten erom maar ze conformeerden zich zodra ze geroepen werden om hun buigingen voor de Britse koningin te maken. Of het de bejaarde Pietje Bel van de Conservatieven Alan Clarke was, die enkele jaren geleden de oorlogsheld Winston Churchill over de kling joeg en over Buck House sprak als hij het paleis bedoelde, of de oude kwajongen Crossman, ze gingen allemaal op hun knieën - en ze vonden het wat mooi!

Tony Benn (die zijn adellijke titel uit democratische overtuiging had opgegeven) fulmineerde tegen de pietluttige precisie waarmee het benoemingsceremonieel van Privy Councillors vooraf moest worden ingestudeerd, maar hij onderwierp zich even goed aan de traditie. Vernederend vond hij die generale repetities die hij op aanwijzingen van de hermelijnen slobkousen moest ondergaan, maar ook hij speelde de rol die voor hem was weggelegd. Ik deed het in het belang van mijn partij, was zijn zwakke verweer. Eigenlijk ging het helemaal niet om de eer maar om het passe-partout van de staatsgeheimen. De toelating tot de Privy Council steunt op het afleggen van de geheimhoudingseed, waarbij de councillor (of counsellor, zoals ook wel wordt geschreven) zweert of belooft alle informatie die hij uit hoofde van zijn ambt onder ogen krijgt, geheim te houden. Een minister die de eed niet zou afleggen, zou niet alle kabinetsstukken meer te zien krijgen.

De beschrijvingen van de benoemingsplechtigheid en van de bijeenkomsten van dat eerbiedwaardige perkamente orgaan zijn in hoge mate komisch. Zowel de koningin als de Privy Councillors voelen zich er zelden bij op hun gemak, en sommigen weten met hun figuur geen raad. 'De knekelheren van het Kabinet van de Koningin gaven ons te verstaan dat we op een bankje voor de koningin moesten knielen en moesten instemmen met de Privy Councillors' eed die een hoog Mau-Mau-gehalte had'' (Benn). 'Een uur lang werd ons verteld hoe we bij de beëdiging rechtop moesten staan: knielend op één knie op een kussen, de rechterhand omhoog met de bijbel erin vastgeklemd, om vervolgens drie passen naar de koningin te doen, haar hand te raken en daarna tien passen achterwaarts te doen zonder over het knielbankje te vallen - dat zo was geschikt dat je er wel over moest vallen'' (Crossman). Volgens dezelfde auteur was er nog nooit zoiets 'saais, pretentieus en onzinnigs'' bedacht.

De vergaderingen waarop de Lord President of the Council een lijst van koninklijke besluiten pleegt voor te lezen - een handeling die natuurlijk even goed alleen met een koninklijke handtekening zou kunnen worden afgedaan - worden zonder uitzondering in een vloek en een zucht afgewerkt. De ministers, vaak niet meer dan drie of vier tegelijk, doen die zaken staande af. Ze gaan pas zitten na de bijeenkomst als ze door de koningin in een aangrenzende salon op een glas worden onthaald, maar tijdens de vergadering staan ze, meestal zonder een woord te zeggen.

Crossman liet zich erop voorstaan, zoals hij zich op tamelijk veel liet voorstaan, dat hij na de stijve Privy Councils in de informele sfeer altijd goede zaken met de koningin deed. Als hij zijn modaliteiten voor de hervorming van de Privy Council aan haar voorlegde (per slot van rekening ging het om een orgaan en een traditie die haar voorvaderen ruim zeven eeuwen hadden doorgegeven), 'luisterde zij met de grootste aandacht''. Maar hij hield ten onrechte aandachtig luisteren voor instemmen met. 'Ik was ervan overtuigd dat ik veel verder had kunnen gaan en had kunnen voorstellen het hele geval af te schaffen,'' noteerde hij in 1970. Maar de papieren tijger kreeg een ander ministerie onder zijn hoede en kwam nooit meer op de afschaffing van de Privy Council terug. Een echte socialist.