Ons Indisch kader

De Indische kolonie en de met haar vervlochten koloniale zin en tegenzin beginnen wat buiten onze gezichtskring te raken. In Nederland tenminste. En het is maar de vraag of we dit jammer of plezierig moeten vinden. Waarschijnlijk geen van beide. Want er gaat iets verdwijnen, namelijk het historische beeld van het Nederlandse koloniale beleid, en daarvoor heeft men in Nederland zelf nooit veel belangstelling gehad.

Dat gebrek of gemis is te verklaren. Geen belangstelling koesteren voor de kolonie en dan vooral niet voor de inheemse bevolking, is eeuwenlang het fundament geweest van ons koloniale gebouw. Dat was al zo tijdens de zogenaamde Compagnies-tijd van ongeveer 1600 tot 1800. Er werd toen door de Nederlanders niet of nauwelijks bestuurd, maar gekocht en degenen, die daarmee waren belast, heetten naar hun werkzaamheid onderkoopman, koopman, opperkoopman.

Dat werd anders na de stichting van ons koninkrijk (1815). In de vlak daaraan voorafgaande jaren was eerst de Verenigde Oostindische Compagnie failliet gegaan en de Nederlandse staat eigenaar geworden van de boedel en die boedel was, na een kort Engels tussenbestuur, als 'volksplantingen en bezittingen' van het rijk, onder de directie, onder het opperbestuur gesteld van de koning. Van de koning bij uitsluiting van ieder ander. We hadden hier toen al wel een parlement, maar dat mocht zich nog niet met de koloniën bemoeien.

Het opperbestuur in Nederland gaf bevelen, aanwijzingen of wat dan ook en die moesten in de kolonie worden uitgevoerd. Door ambtenaren.

Werd er dan niet meer gekocht en verkocht? Werd de kolonie niet langer beschouwd als een wingewest? Natuurlijk wel. Een bezitting moest winst opleveren. Maar in de overgangsjaren tussen Compagnies-bewind en rijksbestuur waren een paar dingen veranderd. Iets algemeens en iets in het bijzonder: de invloed van de Verlichting en het zojuist genoemde korte Engelse tussenbestuur, voornamelijk over Java.

De Verlichting kende wat meer waarde toe aan de mens en al moet men zich daarvan in een kolonie geen al te grote voorstellingen maken, enige opheffende invloed viel toch wel te constateren. Het Engelse tussenbestuur (1811-1816) daarentegen is van een onmiskenbaar praktisch belang geweest. Allereerst omdat in die periode de methode van het beheren van een kolonie door een Europese regering aan de orde werd gesteld. Die methode moest aan twee hoofdvereisten voldoen. Ten eerste: de kolonie zo winstgevend mogelijk maken. Ten tweede: met het welzijn der bevolking, die door haar arbeid die winst opleverde, diende behoorlijk rekening te worden gehouden.

De Nederlandse regering nam, na haar terugkeer, deze denkbeelden over en aan het tweede vereiste voegde de regering van koning Willem I nog iets toe. Men zou ook kunnen zeggen: nam er iets af, want het beginsel uit de Compagnies-tijd: de bevolking zoveel mogelijk onder haar eigen bestuur laten, werd gehandhaafd.

Intussen moest er, behalve rust, ook recht en orde heersen. De Engelsen hadden nog vóór hun verovering van Java - in die tijd verreweg de voornaamste kolonie - in hun eigen Oost-Indië de noodzaak ingezien van een school voor bestuursambtenaren, gevestigd in Calcutta. Begrip voor deze noodzaak ondervonden vooral de Nederlanders, die tijdens het tussenbestuur in Engelse dienst waren overgegaan. Een der bekwaamsten onder hen was ongetwijfeld J.C. Baud, naderhand respectievelijk gouverneur-generaal (ad interim) en minister van koloniën. Hij kan worden beschouwd als de meester van de bestuursopleiding.

Hij en zijn adviseurs stonden feitelijk voor de beantwoording van vier vragen: Wie kwam in aanmerking voor de bestuursopleiding? Waar moest het onderwijs worden gegeven? Wat moest er worden geleerd? Hoeveel kandidaten moesten worden toegelaten?

Het antwoord op de laatste vraag was van begin tot einde verreweg het gemakkelijkst. Het werd bepaald door de inhoud van de schatkist. Hoe minder geld, hoe minder ambtenaren.

De eerste en de tweede vraag staan met elkaar in een nauwer verband dan men op het eerst gezicht zou denken. Dat komt door de terughoudendheid van ons koloniaal bewind. Besturen betekende daarginds besturen op afstand; afstand van de bevolking. De Nederlandse bestuursambtenaren kwamen in de praktijk op Java en Madura hoofdzakelijk in aanraking met wie zij later hun inheemse collega's zijn gaan noemen: de regenten, de patihs, de wedana's en hun assistenten. En dat waren door de bank deftige tot zeer deftige en vooral hoffelijke mensen. Nu was het weliswaar niet goed mogelijk uit Nederlanders een ebenbürtige klasse te recruteren, maar uitgesproken horken kwamen voor het bestuursambt niet in aanmerking. Daardoor werd de keuze enigszins beperkt.

Daarnaast bestond een categorie - de Indo-Europeanen - aan wier geschiktheid men in de beginjaren heeft getwijfeld. De Nederlandse overheid leefde namelijk ten onrechte in de veronderstelling, dat bij de inheemse bevolking en haar hoofden tegenstand bestond jegens mensen van gemengd bloed. Maar iemand als J.C. Baud moest als oud-minister erkennen, dat 'uitstekende begaafdheden en een edele inborst van lieverlede eene hoogere waarde verkrijgen dan de tint der opperhuid''.

Er bestond voor in Indië geboren jongelui nog een andere moeilijkheid. De regering in Den Haag had na enig wikken, wegen en schuiven de plaats bepaald waar de opleiding moest worden gegeven: in Delft. Daar was in 1842 de Koninklijke Academie voor de opleiding van burgerlijke ingenieurs gesticht en hieraan werd een leerschool voor Indische ambtenaren toegevoegd. Met ingang van dat jaar had Delft, zoals men toen zei, het monopolie voor de opleiding. Dit betekende, dat zich in Indië bevindende kandidaten gedwongen werden naar Europa te gaan, wat voor hun vaders een dure, vaak al te dure geschiedenis was.

Hiertegen werd in Batavia geprotesteerd. Voor zoiets was in een kolonie enige moed nodig en die werd geput uit de berichten, in mei 1848 in Indië ontvangen, over de Franse Februari-revolutie en de gevolgen daarvan in Nederland, te weten de belofte van een liberale grondwetsherziening en het ontslag van alle ministers, dus ook van de almachtige J.C. Baud. Het Bataviase protest had overigens geen succes. Delft bleef zijn monopolie houden. Tot 1900. Daarna kwam Leiden aan de beurt.

Deze wisseling van de wacht had te maken met de status van het te geven onderwijs. De verhuizing naar Leiden was in zekere zin een promotie, van hogeschool naar universiteit. Maar veranderde dat veel aan de leerstof?

Eigenlijk niet. Van het begin af, nog voor er sprake was van Delft, stond het wel vast, dat het taalonderwijs een voornaam onderdeel van het leerpakket zou zijn. En in welke taal moest de kandidaat-ambtenaar zich bekwamen? Daarover bestond weinig verschil van mening: het Javaans, want was Java niet veruit het belangrijkste eiland van de kolonie?

Niet alleen dat; er was nog een maatschappelijk en bestuurlijk voordeel aan verbonden. Het Javaans kent namelijk verschillende subtalen, die gebruikt worden als de spreker met iemand van een lagere of hogere maatschappelijke orde spreekt. Kort gezegd: laag-Javaans van een meerdere tegen een mindere; hoog-Javaans tegen mensen van de heersende klasse. Zo kon, meende men - en in die tijd terecht - de Nederlandse ambtenaar door middel van taalgebruik zijn positie als heerser beter tot uitdrukking brengen.

Dat laatste kon men niet verwachten bij het gebruik van een andere taal, het Maleis, want dan stonden de gesprekspartners op gelijke voet. Intussen heeft men, vooral na de uitbreiding van het Nederlandse gezag over de andere eilanden van de archipel, beseft, dat het Maleis als lingua franca onmisbaar was.

Anders belangrijke leervakken waren land- en volkenkunde, van de islam en van het in Indië geldende recht van Europese oorsprong. De grote betekenis van het sterk gevarieerde gewoonterecht, het adatrecht, kwam pas goed tot uiting door en tijdens het optreden van de Leidse hoogleraar Van Vollenhoven.

Zonder dat dit ooit met zoveel woorden is gezegd, leek Leiden ook het monopolie van Delft te hebben overgenomen. Want Leiden alleen was in staat ruimte te bieden voor een andere opvatting en die werd daar in de praktijk gebracht.

In het begin van de eeuw was de Nederlandse regering namelijk tot het besef gekomen, dat het tijd werd 'geheel het regeringsbeleid te doordringen van het besef, dat Nederland tegenover de bevolking dezer (Indische) gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen'' (Troonrede 1901). Het uur van de ethische politiek had geslagen. En wie anders dan de in Leiden gezetelde hoogleraren moesten dit nieuwe inzicht aan de kandidaat-Indisch-ambtenaren bijbrengen?

Nu moet men niet denken dat ze daarbij een onafhankelijk Indonesië voor ogen hadden. Nog niet eens zelfbestuur, hoewel daar op zeker ogenblik zicht op leek te bestaan. In 1918 namelijk heeft de gouverneur-generaal Van Limburg Stirum onder de indruk van uit Nederland overgewaaide revolutiegeruchten een vèrreikende liberale hervorming van het Indische regeringsreglement in uitzicht gesteld. Toen een en ander in het moederland nogal mee bleek te vallen, werd er meteen een scherm gezet voor het rooskleurige toekomstbeeld en de tot een politiek bewustzijn gekomen Indonesiërs hebben nog jarenlang gesproken van de 'schending der novemberbeloften'.

Maar ook in Nederland waren geschrokken mensen. Mensen, die vonden, dat Leiden de schuld was van wat gezagsverzwakking werd geheten. Vooral in de kringen van Indische ondernemers meende men, dat een ander slag van bestuursambtenaren nodig was. Een andere geest, een andere opleiding, andere professoren. Dit werd in 1925 werkelijkheid door de geboorte van de Utrechtse faculteit.

De strijd - als het al een strijd was - werd hoofdzakelijk gevoerd tussen de hoogleraren. Met de studenten viel het nogal mee. Wat moesten jongens van achttien, negentien jaar in die tijd zich druk maken over een politieke kwestie, die hen in wezen niet interesseerde. En dan - maar dit is zienerswerk achteraf - voor die paar jaar, dat het nog zou duren!

Maar misschien is er toch iets meer, iets beters in zicht.

In De Indologen van professor C. Fasseur wordt de boeiende geschiedenis geschreven van een opleiding tot bestuurders. Bestuurders, die hun werk deden in een kolonie en koloniën zijn er niet meer. Maar de functie van het besturen in een land, waar de bevolking dat, tijdelijk, zelf niet kan, bestaat nog steeds en komt zelfs in toenemende mate voor. In welk deel van de wereld komt tegenwoordig geen burgeroorlog voor, die de Verenigde Naties tot ingrijpen dwingt, niet alleen militair, maar ook civiel? Voor dat werk zijn mensen nodig, die eenvoudigweg bestuursambtenaren kunnen worden genoemd. Het zou geen kwaad kunnen hun een opleiding te geven.