Laat toch de kunstenaars kunst maken

De oproep van minister d'Ancona aan de kunstwereld om de subsidies te rechtvaardigen heeft tot enkele reacties geleid op de opiniepagina van deze krant. Het debat begint de algemeen secretaris van de Raad voor de Kunst zo langzamerhand te bevreemden.

Laten we het op een misverstand houden: de minister van cultuur die op de jaarlijkse openbare vergadering van de Raad voor de Kunst verklaart dat de kunstenaars voor de rechtvaardiging van het kunstbeleid moeten zorgen. Stel je voor dat een minister de wegenbouwers zou oproepen het wegenbouwbeleid te verdedigen. Door Warna Oosterbaan is overtuigend aangegeven dat het niet aan de kunstwereld is, maar aan de minister om te zeggen waarom kunst moet (Opiniepagina van 21 nov).

De politicoloog Hans Blokland is helaas nog niet overtuigd en blijft de rol van 'kunstenaars en hun belangenverenigingen' in de legitimering voorop stellen (4 dec). Hij onderscheidt het 'grensvlak tussen bureaucratie en belangengroepen' en de democratische controle. Een belangrijke factor lijkt hij daarbij over het hoofd te zien: de onafhankelijke inhoudelijke deskundigheid.

In het kunstbeleid is sinds Thorbecke het principe verankerd dat de overheid geen inhoudelijk oordeel over kunst heeft, zoals ook minister d'Ancona in diezelfde bijeenkomst benadrukte. Voor dat inhoudelijke oordeel wordt advies gevraagd aan een deskundigencollege - de Raad voor de Kunst. Daarin zitten geen vertegenwoordigers van belangengroeperingen, maar onafhankelijke deskundigen uit de culturele wereld. De politiek neemt vervolgens de besluiten.

Als 'kunstenaars en hun belangenverenigingen' vertellen waarom kunstsubsidies moeten, kan de indruk ontstaan dat het gaat om het belang van de kunstenaars. Het gaat echter om het belang en de betekenis van de kunst. Een aangewezen instantie om naast de minister en andere politici dat belang aan te tonen, is de Raad voor de Kunst. Die heeft daarover dan ook de nodige geschriften de wereld in gestuurd.

De legitimiteitsdiscussie zal nooit verstommen, maar zij wekt zo langzamerhand wel bevreemding. Het lijkt bovendien alsof bij de kunst de zin van het beleid ten behoeve van die sector meer ter discussie wordt gesteld door mensen binnen de sector dan er buiten. Zou dat bij andere maatschappelijke sectoren ook voorkomen?

Natuurlijk zijn er heel wat mensen die een deel van de kunstsubsidies weggegooid geld vinden, maar dat geldt ook voor wegenfinanciering, huisvestingssubsidies, sociale uitkeringen en subsidies aan landbouw of scheepsbouw. En als je die mensen vertelt dat het bij kunst maar om 0,18% (400 miljoen) van de rijksbegroting gaat, verflauwt de kritiek vaak snel.

Als in de landbouw- of scheepsbouwsector een zelfde kritische houding had geheerst als in de kunstsector, waren de landbouwsubsidies vast niet zo de pan uitgerezen en was een RSV-affaire vermoedelijk voorkomen. Wat dat betreft is het voortdurende debat over het nut, de effectiviteit en de doelmatigheid van de besteding van middelen aan cultuur natuurlijk heel goed. Maar je kunt het ook overdrijven.

Het is misschien wel nergens zo moeilijk om gemeenschapsgeld niet goed in te zetten als in de kunstsector. Daar wordt alles permanent en zeer kritisch gevolgd. De kunstinstellingen en gezelschappen worden minstens eenmaal per vier jaar doorgelicht door de Raad voor de Kunst en de politiek; de resultaten daarvan zijn openbaar en worden intensief in de media behandeld. Concert en tentoonstelling staan de volgende dag in de krant besproken, en als een première niet doorgaat worden er Kamervragen over gesteld.

Doordat er altijd zoveel discussie is rond het kunstbeleid heeft de politiek, en ook de kunstwereld, zich laten verleiden tot het graven van schuilplaatsen die valkuilen blijken te zijn. Sinds de Tweede Wereldoorlog is steeds gezocht naar formuleringen voor de gronden van het kunst- en cultuurbeleid. De enige echte grond, namelijk dat een beschaafd land, dat zijn beschaving liefst nog een stapje verder helpt, hecht aan een goed cultureel klimaat en een hoogstaande kunstbeoefening - de kwaliteitsdoelstelling - was blijkbaar onvoldoende. Er zijn steeds andere noemers aangevoerd om het cultuurbeleid te funderen of te verdedigen. Ze kwamen en gingen, keurig conform de tijdgeest en de mode. Eerst ging het vooral om volksverheffing, later meer om emancipatie, dan gaat het om welzijn, daarna om maatschappelijke relevantie, vervolgens om maatschappelijke respons, dan weer om cultuurparticipatie, dan om publieksbereik. En als we niet oppassen gaat het binnenkort om economische spin-off.

Als dergelijke doelstellingen te veel naar voren worden gehaald, dreigt bij onvoldoende succes op zo'n punt de legitimiteit van het kunstbeleid ter discussie te raken, terwijl het slechts gaat om een aspect van het beleid. Dan wordt de schuilplaats een valkuil. Zelfs cultuurparticipatie of publieksbereik is - hoe belangrijk ook - als doelstelling in het cultuurbeleid secundair. Het is geen doel op zich zelf zo veel mogelijk mensen erbij te betrekken; het gaat erom wáárbij.

De overheid dient bepaalde culturele waarden en uitingen te beschermen of te laten ontwikkelen. Zij dient kunstbeoefening te bevorderen van een zo hoog mogelijk niveau die zo goed mogelijk nieuwe perspectieven biedt of confronteert, ontroert of esthetisch genot verschaft, en dient die dan vervolgens zoveel mogelijk mensen te laten bereiken.

Dat hoeft niet altijd rechtstreeks. Het gaat niet alleen om de mensen in de zaal. Zoals Frans de Ruiter in zijn bijdrage aan de discussie opmerkt (16 nov.) kan door velen genoten worden van verschillende soorten 'kopieën' (TV, CD, reprodukties, enz.). Het kan nog indirecter. Bijvoorbeeld: boeken die slechts in beperkte kring worden gelezen kunnen meer invloed op de samenleving hebben dan bestsellers. Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek wordt ook niet gefinancierd om zoveel mogelijk mensen er kennis van te laten nemen of omdat het zo handig toepasbaar is, maar het kan natuurlijk wel een belangrijke doorwerking hebben.

De zorg die de minister uitsprak betreft niet de legitimiteit van de subsidies, maar het voorkomen van een afstand tussen kunst en publiek. Deze zorg heeft ook elke kunstenaar en kunstinstelling die trots is op zijn of haar werk en het wil laten toetsen. De tijden zijn gelukkig voorbij waarin een Holland Festival-directeur ongestraft kon verklaren dat als de zaal vol zat er met de voorstelling wel iets mis zou wezen.

Natuurlijk mag van kunstenaars en zeker van kunstinstellingen worden verwacht dat zij actief zoeken naar een zo groot mogelijk publiek voor hun werk; niet dat zij het kunstbeleid legitimeren. Laat kunstenaars goede kunst maken. Dat levert de legitimiteit van het beleid op. En is het sterkste wapen tegen vermindering van ruimte voor risico en reflectie, creativiteit en tolerantie.