INDOLOGEN

Zie ook pagina 3 'Ons Indisch kader' van A. Alberts

In 'De Indologen' van C. Fasseur worden aard en ontwikkeling van de opleiding van de Indische bestuursambtenaren in de periode 1843-1949 tot in details beschreven. De door de schrijver getrokken beleidsconclusies lopen door het omvangrijke exposé heen. Men vindt ze in gecomprimeerde vorm terug in het Besluit van het boek en vooral ook in het interview met de schrijver in de boekenbijlage van NRC Handelsblad van 2 oktober jl.

Graag zou ik willen reageren op Fasseurs antwoord op de vraag of er een verband is tussen de specifiek Nederlandse koloniale ideologie en het feit dat Nederland na de Tweede Wereldoorlog zo moeilijk afstand van Indië kon doen.

Onder de specifiek Nederlandse koloniale ideologie werd bedoeld de ethische politiek aangaande de Nederlands roeping om met gebruik van onze deskundigheid de Indonesische bevolking 'op te heffen'. Fasseur beantwoordt de hem gestelde vraag bevestigend en ik zeg hem dit op grond van persoonlijke ervaring na. 'De doorwerking van de ethische politiek schept aan Nederlandse zijde een gevoel van verantwoordelijkheid, je kunt niet zo maar de bevolking aan zichzelf overlaten,'' aldus Fasseur. Dat was inderdaad het appel aan het verantwoordelijkheidsgevoel van met name ook de Indische bestuursambtenaar die daarmee was opgevoed. Maar in dit op grond van verantwoordelijkheidsgevoel zo moeilijk afstand kunnen doen, school nu juist het politieke probleem. Het politieke, niet het morele probleem, al wilde men ons het laatste wel doen geloven.

Ons op grond van Westerse normen gebaseerd beleid bij de soevereiniteitsoverdracht was niet moreel verwerpelijk, maar wel politiek onhoudbaar. Nederland overschatte de mogelijkheid om tegen een sterke internationale stroom op te roeien, het onderschatte de kracht van het Indonesische nationalisme in algemene zin en in het bijzonder de betekenis van de ontwikkelingen sedert 1942, toen wij door de Japanse bezetting van ons voetstuk waren gevallen.

Maar ook al was onze houding gericht op aanvaarding en toepassing van onze Westerse normen als voorwaarde voor soevereiniteitsoverdracht in moreel opzicht niet verwerpelijk, inconsequent was ze wel. Zeker, Nederland had belangrijke bouwstenen geleverd voor Indonesische natievorming: een centraal gezag, Westers onderwijs voor een Indonesische elite, een infrastructuur waardoor de communicatie tussen de onderscheiden delen van het enorme eilandenrijk werd bevorderd; Westerse gezondheidszorg met corresponderende bevolkingstoename.

Dit impliceerde de introductie van bepaalde Westerse waarden zonder welke de introductie van al deze natievormende elementen niet mogelijk zou zijn geweest. Maar het is een vergissing te menen dat dit tot overname van het totale scala van Westerse normen zou moeten leiden.

Westerse normen zijn het resultaat van historische ontwikkelingen. Zij omvatten de gehele relatie tussen individu en maatschappij. Mag men verwachten dat deze normen in een maatschappij met geheel andere ontwikkeling en structuur op dezelfde wijze beleefd en toegepast zullen worden? En is het logisch een dergelijke toepassing als politieke voorwaarde te stellen aan een kolonie als Nederlands-Indië waar het dualistische bestuur werd gevoerd met het intermediair van Indonesische volkshoofden en -ambtenaren en ten dele stoelend op adat-gezag?

Het zich geen rekenschap geven van dit probleem was geen morele aberratie, wel een politieke misvatting. Een misvatting slechts van het naoorlogse Nederlandse dekolonisatiebeleid tegenover Nederlands-Indië? Neen, met Fasseur ben ik van mening dat de lijn van deze politiek kan worden doorgetrokken niet alleen ten opzichte van Suriname en de Nederlandse Antillen doch ook ten opzichte van het huidige Indonesië.

Een voorbeeld hiervan was het beleid van minister Pronk, die in overeenstemming met hetgeen de Nederlandse volksvertegenwoordiging wenste, Indonesië als voorwaarde voor Nederlandse ontwikkelingshulp, Westerse normen wilde opleggen. Hij kreeg daarbij op grond van inmenging in interne aangelegenheden het deksel op zijn neus. Maar in de politiek wedt men niet op het verliezende paard. Na die mislukking werd Pronk door degenen die zijn beleid mede hadden geïnstigeerd, voor de wolven gegooid. Dit was vijfenveertig jaar geleden ook het lot van de dragers en uitvoerders van het mislukte Nederlandse dekolonisatiebeleid.