In de sneeuw

Afdalend van bijna 2900 meter in het Gran Paradiso werden we geconfronteerd met een verijsd sneeuwveld. We hadden er gemzen zien spelen, een verfijnd soort krijgertje, maar wij waren absoluut geen gemzen. “Waarom”, vroeg Jan, “laten we ons niet naar beneden glijden?”

Het is opmerkelijk hoe een zoon je kijk op de dingen kan beïnvloeden. Hij was zestien, hij moest min of meer voor zichzelf zorgen. Toch beoordeelde ik die helling vooral op zijn kans om armen of benen of zijn nek te breken, of hij niet ergens in een ravijn zou storten. Toen besefte ik dat het hele idee was ingegeven door ongeduld. Dus niet.

We begonnen de sneeuw over te steken. Steeds het zeker stellen van je evenwicht, dan het schoppen van een gat in de korst, dan het nemen van een stap, dan het ordenen van je ademhaling, herstel van evenwicht. En Jan in het voetspoor achter mij.

Dit is een van de koelbloedigste herinneringen van mijn leven. Maar wat die koelbloedigheid waard was zal ik nooit precies weten. Misschien was een glijpartij veel handiger geweest. Misschien hadden we door hogerop te gaan de hele operatie kunnen vermijden.

Dat je levend thuiskomt wil niet zeggen dat er geen fouten zijn gemaakt.

Ook opmerkelijk: dat gevaar meer en meer een vorm van vrijetijdsbesteding is geworden.