HAWKING

Einsteins droom STEPHEN HAWKING 175 blz., Bert Bakker 1993, vert. Ronald Jonkers (Black Holes and Baby Universes and Other Essays 1993), ƒ 29,90

Ongetwijfeld is Stephen Hawking de beroemdste geleerde van deze tijd. Na het verschijnen van A Brief History of Time (Het Heelal) in 1988, een ongeëvenaard wereldsucces, is de aan een rolstoel gekluisterde, via een spraaksynthesizer communicerende Brit door de media omhelsd en hebben we zijn levensverhaal en zijn theorieën over verdampende zwarte gaten en imaginaire tijden in een oorverdovend offensief van interviews, portretten en commentaren over ons heen gekregen. Geen biografisch detail of het is breed uitgemeten, geen stukje Hawking-fysica of het is populair-wetenschappelijk doorgelicht en aan de man gebracht. Wat we niet weten is wat we niet snappen.

In Einsteins droom, 'beschouwingen over verleden en toekomst van het heelal', komt Hawking zelf weer eens aan het woord. Het boek is vooral een bundeling van min of meer recente voordrachten, van de 'Motor Neurone Disease Society'-lezing via de Hitchcock-lezing en de Darwin-lezing tot een voordracht bij de uitreiking van de Spaanse 'Prince Asturias Harmony and Concord'-prijs. Nieuwe persoonlijke ontboezemingen zijn er niet in terug te vinden, er is veel overlap en voor Hawkings wetenschap kunnen we beter in A brief history terecht.

Dieptepunt in de bundel is de transcriptie van het ongetwijfeld zeer Britse radioprogramma 'Desert Island Discs'. De interviewster weet geen originele vraag te formuleren, een lijstje van Hawkings favoriete platen zou volstaan hebben. En op papier doet de conversatie hier en daar absurd aan. Stephen: 'Na mijn trachetomie-operatie moest ik vierentwintig uur per dag verpleegd worden. Dat was een zware belasting voor ons huwelijk. Ten slotte ben ik uit huis gegaan en ik woon nu in een nieuw appartement in Cambridge. We leven nu gescheiden.' Sue: 'Tijd voor nog wat muziek?' Stephen: 'De Beatles, Please Me, Please Me.'

Hawkings kan slecht overweg met wetenschapsfilosofen. In een openbare voordracht aan het Caius College (waar hij zijn promotie-onderzoek verrichtte) veegt hij de beroepsgroep nog eens de mantel uit. 'De meesten van hen zijn mislukte natuurkundigen die er niet in slaagden nieuwe theorieën te bedenken en zich daarom hebben toegelegd op het schrijven over de filosofie van de natuurkunde.' Een wat kinderlijke reactie op het (weinig snuggere) verwijt van een enkeling dat Hawking 'een positivist' zou zijn, en daarmee 'uit de mode'. Hawking ontkent het bestaan van een losstaande realiteit buiten het door de mens geconstrueerde model van de werkelijkheid; een respectabel standpunt, maar misschien is hij zich wel met zwarte gaten gaan bezighouden omdat grondslagenfilosofie te moeilijk was.

Niet toevallig zijn de beste stukken uit Einsteins droom beide populair-wetenschappelijke artikelen van vóór Hawkings doorbraak naar een groot publiek. 'De quantummechanica van zwarte gaten' (Scientific American, 1977) en 'Is het einde in zicht voor de theoretische natuurkunde?' (Inaugurele Rede als Lucasian Professor, 1980) zijn goed geschreven, doortimmerde betogen met als aardige bijkomstigheid dat ze de stand van zaken aan het front van de theoretische natuurkunde in die jaren goed weergeven. Ze bezitten een intrinsieke kracht, een raison d'être, die in de gelegenheidslezingen ontbreekt.