Haalt Nederland Lillehammer?

Het Noorse Lillehammer is de plaats voor de Olympische Winterspelen van '94. 'Ons' schaatsen - langebaan en shorttrack - wordt echter in het op 75 kilometer gelegen Hamar afgewerkt. Haalt Nederland Lillehammer dus eigenlijk wel? De hoop is gevestigd op bobsleeën (Rob Geurts) en freestyle-skiën (Michiel de Ruiter).

ROTTERDAM, 11 DEC. Afgezien van het schaatsen is Nederland bij de wintersporten afhankelijk van extreme doorzetters en gelukzoekers. Want wie is anders zo gek om ten koste van eigen portemonnee en sociale leven de hele winter door uren in de auto te zitten om in bergen en sneeuw te kunnen trainen? Voor Michiel de Ruiter, olympisch kandidaat freestyle-skiën, ligt de eerste trainingsmogelijkheid in de zomer op 1200 kilometer rijden van zijn huis en in de winter nóg verder weg. “Je moet af en toe een bord voor je kop hebben”, stelt hij nuchter.

Gezien de omstandigheden is het natuurlijk niet vreemd dat er altijd een betrekkelijk kleine Oranjeploeg naar de Winterspelen gaat. In 1936 was Nederland in drie takken van sport vertegenwoordigd, bij het schaatsen, bobsleeën en het alpine-skiën met freule Gratia Schimmelpenninck van der Oye, dochter van de toenmalige NOC-voorzitter. Dat is nog steeds een record. Meestal wordt de Nederlandse eer slechts bij één of twee onderdelen hoog gehouden, vroeger lange tijd bij schaatsen én kunstrijden en tegenwoordig bij schaatsen én shorttrack.

Volgens chef de mission Ard Schenk kan zelfs de Nederlandse deelname aan het shorttrack in het vervolg in gevaar komen. Nu steeds meer landen zich in deze betrekkelijke nieuwe sport zijn gaan bekwamen hebben de Nederlanders het steeds moeilijker goede prestaties te leveren. Er zijn, aldus Schenk, in Nederland gewoon te weinig beoefenaars zodat de kans klein is dat er één of meerdere toppers zullen ontstaan. Dat geldt ook voor andere wintersporten die thuis kunnen worden gedaan, zoals kunstrijden en ijshockey. En bij de onderdelen waarvoor wel naar buitenland moet worden uitgeweken is het voor, zoals Schenk het uitdrukt, “het landje aan zee”, helemaal moeilijk concurreren. Hebben al die inspanningen dan eigenlijk wel nut? “Want de anderen wonen naast de baan of de piste.”

Voormalig schaatskoning Schenk heeft wel degelijk bewondering voor de fanatieke eenlingen die zich in 'on-Nederlandse' sporten proberen te onderscheiden. Hij steunt en helpt ze ook waar hij kan. Schenk is echter met het NOC van mening dat de prestaties altijd van niveau moeten zijn om voor olympische kwalificatie in aanmerking te komen. “Met alleen enthousiasme en financiële steun red je het niet.” Dan hoor je niet op de Spelen thuis, is het duidelijke oordeel van Schenk. “Het heeft geen zin om iemand te sturen die ergens achteraan eindigt. Dat spreekt niet aan. En dat werkt dus niet.”

Daar zijn de sporters en hun bonden het niet helemaal mee eens. “We moeten geen Pipo de Clown sturen”, stelt bob-stuurman Rob Geurts, die alweer voor de vier keer de Olympische Spelen probeert te halen. Maar, vinden de betrokkenen, zo lang ze serieus meedoen en geen Eddy the Eagle-figuur slaan is het van belang om als Nederlanders bij de Winterspelen aanwezig te zijn. Het kan bij anderen de zin opwekken om hetzelfde te gaan doen. En zo komt een sport misschien langzaam van de grond, is de hoop. Want er zijn maar weinige bonden en hun leden die genoegen nemen met een plaats in de anonimiteit.

Voorzitter Iedema van de Bob en Slee Bond Nederland vindt de vier uur rijden naar de baan in Winterberg niet onoverkomelijk voor enthousiaste landgenoten en vooral niet als zijn bond straks een aandeel in die accommodatie heeft gekocht. Dan kan er altijd worden getraind. Iedema meldt trots dat er aan de laatste Nederlandse kampioenschappen bobsleeën in Lillehammer tien equipes meededen. Een rood-wit-blauwe slee bij de komende Winterspelen kan voor een verdere progressie zorgen, luidt de verwachting.

Kwalificeren voor dat evenement blijkt echter moeilijk. De olympische eisen van het NOC zijn samen met die van Nieuw-Zeeland de strengste van alle landen. Dat is de bekende klacht van de sporters. Er moet, aldus de norm van het NOC, in elk onderdeel een goede kans bestaan om een plaats bij de eerste acht te halen. “Maar als een Nederlander op de Olympische Spelen bij het freestyle-skiën op de veertiende plaats zou eindigen is dat ook een unieke prestatie”, aldus Michiel de Ruiter. Iedema van de BSBN: “Wij zijn het beste van de landen die geen eigen baan hebben.”

De inventieve schansspringer Gert-Jan Konijnenberg probeerde twee jaar geleden zijn olympische ticket te bemachtigen door de positieve resultaten van een NIPO-enquete onder het Nederlandse volk te overleggen. Rob Geurts zwaaide met een aanbevelingsbrief van Prins Albert van Monaco, IOC-lid en zelf een verwoed bobber.

Gebleken is echter dat het Nederlandse Olympische Comité zich niet door dergelijke argumenten laat leiden. Dat maakt het derhalve schier onmogelijk om in bepaalde sporten ooit nog Nederlandse deelnemers op de Olympische Spelen te krijgen. Dat geldt met name voor het alpine-skiën, het atletiek van de Winterspelen, waarin het niveau in lengte en breedte uitermate hoog is. Ard Schenk zou daar echter wel een uitzondering op willen maken. “Als er ooit een Nederlander zich al bij de tweede groep, als zeg maar 30ste, 35ste, weet te plaatsen dan zal ik proberen hem of haar bespreekbaar te maken bij het NOC-bestuur.”

Een dergelijk probleem is echter nu niet actueel. De Nederlanders zijn bij het alpine-skiën in geen velden en wegen te bekennen. Desondanks heeft de Nederlandse Ski Vereniging zich ooit weleens optimistisch uitgelaten over de kansen om in Lillehammer met één of twee talentvolle alpinisten, voortgekomen uit het eigen skicollege, aanwezig te zijn. Daar is niets van terechtgekomen. “Misschien was het ook een beetje te voorbarig”, stelt woordvoerder Ronald van der Aart van de NSV nu vast.

Het zegt iets over het blinde enthousiasme en vooral het grote verlangen van een bond om een lid naar de Olympische Spelen af te vaardigen. Alleen dan lijk je pas echt mee te tellen. De Skivereniging heeft met Michiel de Ruiter nog één troef in handen. De freestyle-skiër krijgt dan ook alle medewerking. Voor hem speciaal is het Volvo Olympische Fonds gesticht waaruit De Ruiter kan putten om reizen en trainingen te bekostigen en materiaal aan te schaffen. De sportman is er zeer enthousiast over. Mede door de geboden hulp is hij hoopvol gestemd. Hij moet volgens de NOC-eis bij zeven wedstrijden in de strijd om de wereldbeker één keer bij de eerste acht eindigen. In zijn eerste poging, gisteren in Tignes, eindigde hij maar één plekje te laag, negende.

Zo veel kansen als De Ruiter heeft Geurts niet meer. Hij heeft drie vergeefse pogingen gedaan. Voor hem komt nu alles op Calgary aan, volgende week. Daar moet hij bij de World-Cupwedstrijd bij de eerste twaalf eindigen, waarbij per land maar twee bobs zullen meetellen. Gezien de eerdere prestaties lijkt Geurts' kans van slagen bijzonder klein. Toch zorgt het enthousiasme en de wilskracht ook bij de bobbers nog steeds voor optimisme. Bondsvoorzitter Iedema acht de kans dat Geurts naar Lillehammer gaat zelfs nog “zeventig, tachtig procent”.

Geurts zelf wil niets meer over limieten en normen horen. Hij zegt ze nu ineens niet te weten. ,Ik doe me best en kijk wel waar ik uitkom. Het NOC moet dan maar beslissen of dat voldoende is voor kwalificatie.” Hij hoopt op een klein wonder. Zijn doorzettingsvermogen is bewonderenswaardig. Geurts, al tien jaar vechtend voor erkenning, liep deze zomer nog fabrieken en bedrijven af om tot de beste constructie voor de ijzers van zijn bobslee. “Het gaat beter dan ooit.” Hij heeft de steun van een buitenlandse coach en van adviseur Job van Oostrum, die zelf als bobber bij de Olympische Spelen van '84 actief was. Alleen, is de bekende uitleg van Geurts, heeft de ploeg veel met pech te kampen gehad, blessures van de remmers en het niet vinden van de goede balans bij de start.

Skiër Michiel de Ruiter, al als demonstratiesporter in Albertville aanwezig, zegt er nog niet bij te hebben stilgestaan dat hij straks weleens de enige Nederlander zal kunnen zijn in het atletendorp in Lillehammer. De schaatsploeg wordt namelijk in een andere accommodatie, in Hamar, ondergebracht. Eerst maar eens proberen te kwalificeren, stelt De Ruiter. Daarna merkt hij wel waar hij terechtkomt. “Ik hoop wel dat de Nederlanders dan ook een keertje naar mij komen kijken in Lillehammer.”