Geleerden-proza

Iedereen weet dat academici niet kunnen schrijven. Eén blik in een dissertatie, één hapje van een congresbundel, en je proeft het: de woorden knarsen als gruis tussen de kiezen, de zinnen drijven als ordeloos wrakhout voorbij, en het betoog blijft duister als een maanloze nacht boven Patagonië.

Dit is geen louter Nederlands probleem: het geweeklaag over het proza der geleerden klinkt van de rive gauche tot aan de Ivy League, en verder. Onlangs ontdekte de Amerikaanse historica Patricia Nelson Limerick na diepe studie waarom knappe koppen verkrampen als zij de pen ter hand nemen. In The New York Times Book Review openbaarde zij haar bevindingen: hoogleraren zijn precies degenen waarmee niemand wilde dansen op schoolfeestjes. Dit is een nieuw gezichtspunt, en nogal overtuigend. Is er een groter drama dan op een klasse-avond langs de kant te moeten blijven? De enige redding is een professorale houding: verzinken in peilloze gedachten, en zo woordeloos schreeuwen dat dansen ver beneden je waardigheid is. Academici zijn, concludeert de onderzoekster, chronisch bang alsnog met de voetjes van de vloer te moeten. Hun proza is niets anders dan een pantser rondom puberale trauma's. Een mooie slotsom van een nuttige studie. Het is nu onontkoombaar dat de cha-cha-cha tot het universitair curriculum gaat behoren.