Een wachtkamer vol vergeten

Moe van het niets-doen, in gespannen afwachting van hun gesprek met Justitie tellen zij de dagen:Ali, Mukhtar, Naomi, Reza, Chamyang, oom Tahir en de anderen. Als asielzoekers kwamen ze naar Nederland. In de hoop een oud leven af te sluiten en een ander mens te worden. Maar hoe moet dat in het vacuüm van verloren dagen? Een ontmoeting met het leven in stilstand.

Niemand in het asielzoekerscentrum staat vroeg op, Ali ook niet, en toch is hij nog nooit van zijn leven zo moe geweest. Terwijl hij vroeger werkte als een beest, zelden minder dan tien, twaalf uur per dag. En hij was een belangrijk man: civiel ingenieur overdag en 's avonds de vertegenwoordiger van de verboden Koerdische partij in de Iraanse stad waar hij met zijn familie woonde. Nu hoeft hij niets meer, mag niets meer, is niets meer. Het leven staat stil. Ali leidt het triviale bestaan van een asielzoeker, en hij is bang dat hij gek wordt, net zo gek als Reza, die Iraanse jongen van twintig, die al maanden hier rondsloft en onder het eten soms minuten stil zit met de lepel halverwege zijn bord en zijn mond.

Om tien uur 's morgens zit Ali op de houten bank in de hal tegenover de telefooncellen, samen met wat Koerden uit Irak. Veel van de andere 300 bewoners van het Centrum liggen nog te slapen. Sommigen kon je om zes uur nog door de gangen horen lopen, met een traag 'plop, plop', het geluid van slippers op linoleum. De quatkauwers uit Somalië hebben het laat gemaakt. De vijf Chinezen, die nooit iemand groeten, zaten vannacht om 1 uur nog te kaarten. Net als de zes Sri-Lankezen, helemaal aan de andere kant van de kantine. Alleen de kinderen hebben allemaal om kwart voor negen ontbeten. Toen ze de bus naar school instapten brulden ze 'Sinterklaas Kapoentje'.

Ali zit daar maar te zitten. Gisteravond had iemand van de politie gehoord dat als je na zes maanden nog geen interview met Justitie hebt gehad, het verzoek om asiel automatisch negatief was beoordeeld. En vanavond zal hij precies zes maanden in Nederland zijn. Alle asielzoekers weten op de dag nauwkeurig hoe lang ze hier zijn.

Waarom krijgt hij geen interview? Steeds vraagt hij het bij de rechtshulp, en die zeggen dat ze het ook niet weten, dat er te veel vluchtelingen zijn, en dat ze eerst de mensen interviewen die weinig kans hebben. Maar wanneer komt hij dan aan de beurt? Dit lijkt een soort koude oorlog. Hij heeft toch het recht om te weten wat ze met hem willen?

Als hij een interview krijgt zal hij daarna nog maanden moeten wachten. En al die tijd kan hij nog niet met een nieuw leven beginnen. Hij zal een ander mens moeten worden. Veertig is hij, en alles wat hij tot nu toe is geweest, is niet meer. Hoe word je een ander mens? Hoe vergeet je wat je was? Veertig jaar oud, en weer een kind, een doodmoe kind.

Ali piekert zich suf. In het begin deed hij nog van alles. In het eerste kamp, Zeewolde, lapte hij iedere dag de ramen; later in kamp Langweer stond hij in de keuken met andere asielzoekers, wat niet zo'n succes was want als ze drie uur lang geprobeerd hadden om het eens te worden waren ze weer bij punt nul beland. Hier in Leeuwarden had hij helemaal niets meer gedaan. In drie maanden tijds was hij drie keer op straat geweest, voor tien minuten.

Iemand zegt dat ze in Zweden en Denemarken Iranezen hebben teruggestuurd. Kan dat hier ook gebeuren? Ja, waarom niet? Reza, de droevige gek, staat met een wat afgezakte broek tegen de muur. Met een blik vol waanzin staart hij de mannen op de houten banken aan. Toen hij kwam was hij helemaal normaal, dat weten ze zeker. Hij moet gek geworden zijn van de zorgen, zeggen ze.

Een Friezin met een stuurs gezicht veegt de gangen aan, en dweilt de wc's. Ze heeft ooit met verbeten woede voor alle wc's een tekst gemaakt: 'If you use water - do throw it on the ground. If you further want to make a big mess of this area, DO IT!'' 'I dont care'' staat er rood onderstreept bij, en vervolgens: 'You know why? I don't use this area.'' Getekend: 'The cleaning lady.''

Is het geen schande zoals die wc's er uitzien, moppert de Surinaamse schoonmaakster Miem. Die mensen doen maar wat, ze weten niet eens hoe ze een wc moeten gebruiken. Laatst had ze toch wat meegemaakt! Ze schiet in een onbedaarlijke lach als ze er weer aan denkt. Klopte ze op een wc-deur omdat ie dicht zat. Geen antwoord. Kijkt ze onder de deur: geen voeten te zien. Ja, haha, je voelt hem al aankomen, zegt ze - doet ze met haar sleutel de deur open, zit er een man op zijn hurken op de pot, met de paniek in zijn ogen. Gierend van de lach loopt Miem met haar bezem weg.

Jamal, de Irakees die in Amerika heeft gestudeerd en het in rood plastic gevatte diploma dat hij er behaald heeft kan laten zien, weet er wel iets op. In Amerika worden nieuwelingen aan 'toilettraining' onderworpen. Niks bijzonders daar, moeten ze hier ook doen. Erg effectief. Er zouden ook kleine straffen moeten zijn bij overtreding van regels. Ze zijn hier te gemakkelijk, echt waar. In het opvangkamp waar hij geweest is, waren Roemenen die stalen. Hun kamers waren net winkels geworden waar je van alles kon kopen, ook op bestelling! Hij snapt niet dat de regering dat toelaat. Als dat in Amerika gebeurde hadden ze voor die lui een speciaal streng programma in petto.

Ze hebben bij de staf echt wel geprobeerd de bewoners bij het schoonhouden in te schakelen. Bij de Somaliërs bijvoorbeeld waren er een stel geweest die het wel wilden doen, maar iedere keer als ze de boel aan kant hadden, kwamen andere Somaliërs alles weer onder piesen. Om even te laten merken dat ze zich niet zo moesten uitsloven voor die blanken.

Er zijn er een paar die in de keuken helpen. 'Word je daar soms voor betaald?'', kregen ze vaak te horen. 'Ja'', zeiden ze dan, om maar van het gezeur af te wezen. Ze verdienen punten, twintig per uur, en voor die punten kunnen ze dan iets krijgen, een fles parfum bijvoorbeeld.

Na 1 januari moeten de asielzoekers meer zelf gaan doen, heeft het ministerie verordonneerd. Maar hoe? De staf maakt plannen, en weet het nog niet precies. Je zal er toch iets voor moeten gaan betalen, denken ze, zeker voor het schoonmaken, en liefst voor het schoonmaken meer dan voor ander werk. Maar dat kan vast niet zo maar. En om dan inderdaad te bezuinigen zullen ze bijvoorbeeld schoonmakers moeten ontslaan. Dat zal de vakbeweging weer niet leuk vinden. Concurrentievervalsing, arbeidsmarktverdringing, of hoe dat allemaal heten mag.

Het zal dus uiteindelijk knap ingewikkeld worden. Weer iets aan de bewoners uit te leggen wat eigenlijk niet uit te leggen valt. Zoals met die nieuwe procedure, waarbij de kansarmen eerder aan de beurt zijn dan de kansrijken. Wie bepaalt het verschil? En wie kan de kansrijke asielzoeker verklaren waarom veel kansarmen op die manier veel eerder aan hun status komen dan hij? Ze schijnen er nu over te denken voorlopige vergunningen tot een voorlopig verblijf te gaan uitgeven. Het zal wel - de staf is het zicht op de veranderende regelingen toch al enige tijd geleden kwijtgeraakt.

Tegen elven zitten er een paar Somaliërs in hun deel van de hal. Natuurlijk die ene man van een jaar of dertig, want die zit er altijd, met zijn armen over elkaar. Hij gromt soms een groet en zwijgt verder. Naast hem, met dungerande bril, kijkt de diplomaat Mukhtar met de nieuwsgierige blik van de nieuwkomer om zich heen. Hij is gisteren gearriveerd, met vrouw en vijf kinderen.

Een jaar lang woonden ze in Nairobi, om een beetje in de buurt te blijven - ze zouden vast weer snel terug kunnen. Toen het geld op was gingen ze naar Rome waar Mukhtar misschien werk zou kunnen vinden via zijn oude contacten op de ambassade. Maar het lukte niet, en ze namen de trein naar Nederland - daar zaten veel Somaliërs, wisten ze. Gek, hij had allerlei moeilijkheden verwacht bij de grenzen, maar nergens hadden ze hem om zijn paspoort gevraagd.

Hij had het juist zo goed voor elkaar. Een huis voor zijn ouders had hij gebouwd, en een huis voor zichzelf, en een paar jaar geleden een boerderij met veertig stuks vee waar hij groente verbouwde voor de export. Als het zo doorging zou hij zijn baan bij Buitenlandse Zaken hebben kunnen opgeven. Maar nu is hij slechts een vluchteling, een bedelaar eigenlijk.

In het Onderzoekscentrum Nijeveen was hij door de krant geïnterviewd en met zijn hele familie op de foto gegaan. Dat was om de mensen in Meppel te laten zien dat het geen enge mensen waren, die asielzoekers. Integendeel, ze waren voornaam en welgesteld, en zij niet alleen. Neem Hindia, een meisje van 23, dat goed Frans spreekt, want ze ging met haar ouders ieder jaar aan de Côte d'Azur met vakantie. Of Mohamud, de jongen die met alle alleenstaande Somalische vrouwen flirt, en die door zijn oom op het vliegtuig is gezet. Hij en andere jongens spreken Engels, terwijl er de laatste tien jaar geen school meer open was: ze kregen privéles.

Om uit het land te komen kostte al veel. Bij iedere wegversperring moest goed betaald worden, en vanaf Nairobi berekenden de mensensmokkelaars 2000 dollar per persoon. Wat heel goedkoop is; de Koerden die via Turkije vluchtten waren minstens het dubbele kwijt.

Ineens veert Mukhtar op. Zijn vroegere baas op het ministerie staat voor hem. De oude Tahir, grijze baard en Engelse pet. 'De ambassadeur' noemen ze hem, omdat hij dat ooit was. En nu is Tahir de vredestichter onder de Somaliërs, want een oude man geniet in deze kring respect. Hij troost de vrouwen en spreekt een vermanend woord tot jongens die de sturende hand van een vader missen en door hun moeder niet in toom gehouden kunnen worden.

Tahir heeft een tas vol paperassen onder zijn arm. Boeken van de cursus Nederlands en kopieën van artikelen in de plaatselijke pers met zijn foto erbij. Een toespraak over de rol van de Verenigde Naties, op een congres in Groningen gehouden; en een college voor een sociale academie. Oom Tahir is een belangrijk man, en hij weet het.

Bijna een jaar is hij nu in Nederland, en nog geen bericht van Justitie gehad. Hij maakt zich een beetje ongerust. Hoe komt het toch dat juist de slecht opgeleide Somaliërs de A-status krijgen? Hij kent verschillende heel goed opgeleiden die negatief hebben gekregen. Bijvoorbeeld de man die twintig jaar geleden in Nederland heeft gestudeerd en uitstekend Nederlands spreekt. Niet zoals hier in de klas, maar echt. Ze dachten in Somalië altijd dat het Duits was, maar nee, legde hij dan uit, het is een aparte taal. Die man kreeg negatief. Waarom doen ze dat toch?

Uit het klaslokaal om de hoek klinkt ineens 'Zie ginds komt de stoomboot''. De Nederlandse les loopt ten einde. Ze zingen tot slot 'Hoe huppelt zijn paardje het dek op en neer''. En ook nog 'Zie de maan schijnt door de bomen''.

Het schijnt trouwens dat je met de nieuwe wet na 1 januari met documenten moet aantonen dat je in de gevangenis hebt gezeten. Het is een groepje Iraniërs die er over staat te praten. Hoe kan dat nou? Dat krijg je toch nooit zwart op wit?

Om kwart voor 1 is de lunch. Nu is iedereen op en staat om tien over half een met kop, soepkom en bestek in de hand, klaar voor de aanval. Om kwart voor 1, als het rolluik voor de keuken wordt opgehaald, storten de Chinezen zich als één man naar voren. Mohammed, het staflid van Syrische afkomst, een kleerkast van een man, maakt bezwerende gebaren, en dat helpt. Een rij vormt zich.

Het is dezer dagen moeilijk om de discipline te bewaren, zeggen ze bij de staf. Omdat er steeds weer tientallen nieuwen zijn: mensen die nog niet bij een Onderzoekscentrum terecht konden en hier zolang onderdak gebracht moeten worden. Geen asielzoekers, maar aspirant-asielzoekers, de zogenaamde AA's. Mensen die ook de dagen tellen, maar nog bij nul moeten aankomen, en met een perplexe blik in de ogen zeggen dat ze eigenlijk nog niet in Nederland zijn, want ze hebben nog geen aanvraag ingediend, geen keuring op TB, niks.

Bij de soep met boterhammen is Ahmad, de 27-jarige Iraniër, uit zijn humeur. Wat willen de kranten nou nog weten? Is er dan iets veranderd? Er zijn al zo lang vluchtelingen. Ze krijgen hier met zijn tweeën een kamer, een rol wc-papier en een zakje waspoeder. Ze kunnen tv-kijken, eten, slapen, twee keer in de week naar Nederlandse les, en na een tijdje naar een eigen woning. Dat is nou toch al een hele tijd zo?

Verder luisteren ze toch niet naar vluchtelingen. Het kan ze niks schelen. Hij zeurt niet over het eten, want hij is hier niet voor het eten gekomen. Maar als hij met een man op zijn kamer zit die rookt en 's nachts tot vier uur in de kantine zit, dan binnenkomt, het licht aandoet, de televisie aanzet en zijn tanden gaat poetsen - ja, wat moet hij dan? Dan kan hij toch niet slapen? Dan kan hij toch niet 's morgens nog naar de Nederlandse les?

Als hij dan gaat klagen, zeggen ze: luister eens, er komen teveel vluchtelingen. Ja, wat nu? Is dat soms zijn probleem? Ze hadden gezegd, zoek zelf een oplossing. Goed. Hij heeft met die man gepraat. Hij zal in de kamer niet meer roken, okee. Tv-kijken, okee, houdt-ie ook mee op. Maar dat snurken! Je kan toch niet zeggen dat ie niet mag snurken, toch?

Hebben ze hem oordoppen gegeven. Heeft hij ingedaan, zo, goed er ingedraaid, konden ze zien dat ze er echt goed inzaten. En toen gevraagd, praat eens tegen me. Nou, hij kon mooi alles letterlijk herhalen.

Ahmad kijkt bezeerd. Ze doen hier maar. Rechten heeft hij niet. En hij moet zich maar zien te redden met het beetje Engels of Nederlands dat hij kent. De staf speelt een spelletje met hem, dat is het.

De staf zit aan een tafel bij de deur. Zo kunnen ze in de gaten houden of niemand met eten naar zijn kamer gaat. Dat kan niet omwille van de hygiëne. Orde en regelmaat moet er heersen. Het Centrum heeft niet voor niks zo'n goeie naam onder de aszielzoekers.

De Afghaanse ex-minister vraagt beleefd permissie om toch iets mee te nemen voor zijn vrouw, want ze is ziek. Het mag. Je moet ook soepel kunnen zijn.

Ze doen het werk al wat jaren, en ze hebben er van geleerd dat je niet al te idealistisch moet zijn. Zo ga je er alleen maar aan onderdoor. Jan-Dirk werkt er het langst. Hij heeft het gedoe om de Tamils nog meegemaakt. Ach, de mensen kunnen beter elkaar helpen, de staf is er gewoon om af en toe te assisteren. En soms heb je wel eens echte zeuren, die moet je streng toespreken. Dat Nederlanders nogal direct kunnen zijn, daar moeten ze maar aan wennen.

Alleen de laatste tijd is hij soms echt moedeloos. De manier waarop er over asielzoekers gepraat wordt: vroeger werd er op feestjes nooit naar gevraagd. Nu laat niemand je meer met rust. Als je 's avonds thuiskomt begint het al met het journaal. De dingen die er maar gezegd worden! Alles zo negatief. En het houdt niet meer op.

Je krijgt eelt op de ziel. Uitgebrande huizen, familie vermoord, gemarteld - je hoort het zo vaak. Maar als er iemand negatief krijgt, heb je het nog wel eens te kwaad. Want je hebt zo iemand maanden meegemaakt en dan zie je wel dat het geen flauwekul is. En nu willen ze na 1 januari het recht op beroep voor de asielzoeker afschaffen, terwijl je weet dat er veel fouten gemaakt worden.

's Middags is de Soos open. Ali speelt er zijn dagelijks spelletje Back Gammon. Zijn vriend, de voorzitter van de Koerdische Democratische Partij Iran, is er ook. Hij zegt Ali steeds dat hij rustig moet blijven, dat ie zichzelf moet beheersen, en geeft hem boeken over Koerdistan die hij in Iran nooit heeft kunnen lezen.

Tegen de bar hangt Mohammed Ali, de Somaliër met de lange baard. Hij heeft al een eigen huis maar komt toch dagelijks hier. Wat zou hij anders moeten? Het is stil en leeg in zijn huis, en hij kent er genoeg die helemaal zijn ingestort, zo ineens op hun eentje. Ooit heeft hij iemand gevraagd waar de Nederlanders samenkomen. In de disco, was hem gezegd. Nou, sindsdien zit hij iedere avond in dezelfde disco in Leeuwarden, kauwt zijn quat, en luistert naar de muziek. Hij houdt er van om de woorden te volgen.

Suleiman is er ook. Heeft met een paar andere Somalische jongens van begin twintig eveneens een eigen woning. Soms zitten ze op hun slaapkamer, soms in de woonkamer, en nergens is iets te doen. De mensen buiten zeggen alleen 'hallo' en verder niks, dat is wel jammer. Werken, dat kan niet, er is hier toch geen werk. Hij wacht tot zijn familie zegt wat hij moet doen. Hij moet gehoorzaam zijn, net als alle andere Somalische jongens. Als zijn familie zegt 'blijf', dan blijft-ie, maar dat zou hij wel jammer vinden want hij wil terug, heel graag. Iedereen wil trouwens terug. Als de Nederlandse vrijwilliger achter de bar 'Zij beloofde gouden bergen'' van Bob de Rooij hard aanzet ('Eventjes, voor de integratie''), knikt Suleiman wat vermoeid: ja dat kent hij wel - van de tv, zaterdagavond, Nederland 3.

Alleen Aden die in de bibliotheek werkt, weet niet zeker of hij wel terug gaat. Hij woont al vijf jaar in Nederland en zijn kinderen spreken beter Nederlands dan Somalisch, en ze willen helemaal niet naar die hongerige kindjes van de televisie. Hij heeft hier op het Centrum sinds anderhalf jaar een echte baan dank zij de banenpool, en zijn huis is net als dat van de buren. Allemaal plantjes voor de ramen. Als er een doodgaat koopt hij direct een nieuwe. En met Kerstmis een kerstboom. Sinterklaas die komt uit Spanje en heeft een zwarte Piet, en je hebt oudjaar en nieuwjaar, dan wens je iedereen gelukkig nieuwjaar - zo heeft hij veel dingen geleerd.

Aden strijkt met zijn vingers over zijn stropdas. Ja, de andere Somaliërs vinden hem een geluksvogel met een baan waar hij er zo netjes bijzit. Hij kent niemand die zoiets heeft. Sommigen helpen de boeren met appels plukken, en hij kent een paar jongens die in een fabriek werken. Eigenlijk lukt het zijn dochter van twaalf nog het best. Die kreeg van de zomer zomaar een vakantiebaantje in een winkel. Daar had ze goed verdiend.

In de bibliotheek leent Aden boeken uit, Engelse romans meestal, waar er enkele honderden van staan. Maar hij heeft ook stofzuigers te leen, en schaakspelen, en garen voor de twee naaimachines. Of casettebandjes met lessen Nederlands. En een wereldontvanger, waar iedere middag die grote brede man aan zit te draaien. Op zoek naar de Liberiaanse zender die hij soms op zijn koptelefoon kan horen.

En dan komt Jamal binnen, de Irakees. Hij weet het nu zeker. De advocaat van Vluchtelingenwerk heeft het zelf gezegd: wie na zes maanden nog geen interview heeft gehad, krijgt automatisch negatief. En je kan ook geen woning meer krijgen als je nog geen uitsluitsel hebt. Een nieuwe regel, zeggen ze. Klopt dat?

Rond vijf uur zijn de kinderen uit school en zoeken de vrouwen elkaar op. Per nationaliteit. Naomi komt uit Tsjaad en is alleen. Dat is wel eens lastig - iedere jonge vrouw die alleen is heeft het hier moeilijk: de mannen denken altijd dat ze gezelschap nodig hebben. Of letten erg goed op ze, als ze uit hetzelfde land afkomstig zijn. Komen zomaar hun kamer binnen, om te kijken wie er is en wat ze doen.

Naomi heeft wel eens het idee dat mannen denken: ze kan vast niet aan een man komen met al die brandwonden in haar gezicht, dus dan zal ze dankbaar zijn als ze wat met mij kan hebben. En als ze er dan niks van wil weten, schelden ze haar uit en gaan ze over haar roddelen - ze doet het met die en die, zeggen ze dan. Net als andere vrouwen, die krijgen net zo'n behandeling.

Twee maanden geleden, op 4 oktober, had ze besloten geen medelijden meer met zichzelf te hebben. Ze moest nu maar eens gaan vergeten. Dat was precies een jaar nadat er een brandbom in haar huis was gegooid en ze met haar handen haar lange haren had gedoofd. Ze ging zich weer mooi kleden, en natuurlijk vroegen ze: Naomi, heb je soms een vriendje? Jazeker, zei ze dan, om er maar vanaf te zijn. De mensen kletsen hier zoveel, en de vrouwen helemaal.

Eerst had ze nog overal meegeholpen, maar ze werd gek van het gezeur. Wil je de blanken zo graag een plezier doen? Word je er soms voor betaald? Nu is ze zoveel mogelijk weg. Ze kent een paar mensen buiten, daar gaat ze naartoe. Ze wil genieten van de vrijheid. Soms kan ze niet slapen omdat ze zich zorgen ligt te maken, maar dan kan ze midden in de nacht er op uit met de fiets, en terug komen wanneer ze maar wil. Dat kon in Tsjaad niet. En ze kan aantrekken wat ze wil, niemand die er wat van zegt.

Al die rechten! Bijvoorbeeld het recht om de straat over te steken. In het begin durfde ze zelfs bij de stoplichten niet door te lopen. In Tsjaad kon je er nooit zeker van zijn wanneer de auto's plotseling weer zouden gaan rijen. Toen ze al die mensen zag oversteken zonder op of om te kijken, dat was toch wel een wonder. En ja, in het begin vond ze het wel een beetje raar dat in een volle bus de plaats naast haar leeg bleef. Maar, had ze bedacht, dat zou in Afrika precies hetzelfde zijn. Als daar een blanke in de bus zit zijn de mensen ook een beetje bang.

Ze zijn wel erg wantrouwend, die Nederlanders, dat wel. Heel gereserveerd. Ze zeggen nooit meteen wat hun niet bevalt. Die schoonmaaksters bijvoorbeeld, ze kunnen voor hun neus de peuken op de grond gooien, zeggen ze nog niks. Ze kijken alleen maar een beetje stug.

Maar ze zijn zo goed voor ons. Ze geven ons eten, een bed, ze geven ons zeep en een televisie. En wat geven wij? Dat vraagt ze wel eens, en dan zeggen ze: O, als ze me betalen dan doe ik wel wat. We hebben recht op dat eten, dat zeggen ze. Maar dat klopt natuurlijk niet.

Ze is vrij, en veilig. Daar is ze toch zo blij mee, iedere dag. Maar de manier waarop ze voor je zorgen, alles voor je doen, dat kan niet goed zijn, zo is het leven niet. In het zweet des aanschijns moet je werken!

Om zeven uur komen de Nederlanders hier al binnen. Dan zijn ze om zes uur opgestaan om door de kou hierheen te komen, en werken ze van zeven tot vijf hard door. Ja, al die Nederlanders werken. Wat dacht je van al die vrijwilligers hier? Iedereen doet wel wat. Zoiets kennen ze in Afrika helemaal niet.

Zij, de asielzoekers, slapen tot negen uur en gaan dan pingpongen of tv-kijken. Zo verzwak je mensen, met zo'n systeem. De jongeren worden helemaal op verkeerde gedachten gebracht. Die denken dat het zo hoort. Als het zo doorgaat krijgen de Nederlanders er nog last mee. Naomi heeft ze gewaarschuwd.

Rijst met kip vanavond. En de yoghurt en rauwkost van iedere dag. De grootste gemene deler van de wereldsmaak. Met chili, komijn en knoflookpoeder voor wie het wat kruidiger wil. Het is niet goed, het is niet slecht, maar het werkt wel tegen de honger, zeggen ze.

Na het eten roken mannen en vrouwen een sigaretje in de hal. Pas na zeven uur mag er in de kantine gerookt worden. Twee Angolezen drentelen op en neer. De een heeft modieuze vierkante schoenen met een witte band overlangs. De ander draagt Dr Martens boots, een zijden hemd, een kek jasje en een bril van Jean Paul Gaultier. Dat staat er tenminste op. Naomi die alle nationaliteiten kent, zegt dat ze in Zaïre en Angola soms maanden honger lijden om maar een paar dure schoenen te kunnen kopen. Dat heeft iemand haar ooit eens verteld.

Een Joegoslavische jongen loopt met kromme passen langs, en maakt clowneske grimassen. Het is de vrolijke gek, die hier nog maar een paar dagen is. De Koerden uit Irak neuriën een droevig lied. Door de intercom wordt weer iemand naar de telefoon gemaand. De verbindingen met de andere centra worden goed onderhouden, en geruchten verspreiden zich snel.

In de kantine vormen zich de groepjes van elke avond. De Chinezen aan hun eigen tafel halen de kaarten tevoorschijn. De Sri-Lankezen aan de andere kant ook. Overdag zie je ze niet. Sri-Lankezen hebben veel vrieden en familie in Nederland. De Iraniërs en Irakezen schaken, of spelen back gammon. Somaliërs dammen. En iedereen speelt wel eens pingpong.

Chamyang, de pikzwarte Soedanees, vertelt over God. Er is een God, daarom leven we - iets moet het leven genereren, zoals olie elektriciteit opwekt, en dat iets is God. Zijn stem krijgt de cadans van een preek die uren kan duren. Er zijn ook twee Nederlanders die over God praten. Die schuimen de kampen af om zieltjes te winnen, zeggen ze bij de staf.

Ali zegt dat hij ooit Omar is genoemd. In de stad waar hij als kind woonde, hadden ze een jaarlijks feest om de bevrijding van de Turken te vieren, en dan verbranden ze een pop die ze Omar noemen, een soennitische naam die onder sjiiten niet populair is. Toen hij elf was, riepen ze: Hier hebben we een echte Omar, laten we die in brand steken. Hij kan zich nog herinneren wat ze zongen: Het regent hete regen / arme arme Koerden / hoe leggen ze een ei / neuk de reet van Omar / neuk de reet van Omar. En lachend gooiden ze hem ruggelings in het vuur. Daarna noemden zijn ouders hem Ali.

De Afghaanse ex-minister laat wat gruwelen door zijn gestudeerde zoon vertalen, want hij vertrouwt zijn eigen Engels niet. De zoon heeft geleerd ouderen te respecteren en praat zachtjes, de handen gevouwen, de ogen neergeslagen. Er is nog iemand die zijn kinderen mist, en huilerig op anderen wijst: zij kunnen dansen en zingen, maar ik word gek. En Mojgon, het Iraanse meisje met grote bruine ogen en een stralende glimlach, zegt dat er rare dingen met haar gebeurd zijn in de gevangenis, dat ze daarom niks van mannen wil weten, en dat ze er alleen maar met de dokter over praat. Ook niet met haar broer, die haar nooit uit het oog verliest. Want de mensen in Iran kennen schaamte, en vertrouwen hun landgenoten ook niet zo - er zijn toch overal spionnen?

Er zijn er ook die zeggen dat ze heus wel begrijpen dat er te veel asielzoekers zijn, en dat ze er genoeg kennen die lang niet zoveel te lijden hebben gehad als zij, die het dus eigenlijk moeilijker maken voor hen, de echte vervolgden. En dan gaan ze stuk voor stuk naar bed. Al kunnen ze niet slapen, ze zijn toch moe. En er zijn trouwens ook nog altijd de pillen van de dokter. De vrolijke gek uit Joegoslavië maakt wat danspasjes in de verlaten hal. Een probleem in het hoofd, zegt hij, terwijl hij een bek trekt, en met een denkbeeldig machinegeweer schiet.

In de verte zit de stille Somaliër nog met zijn armen over elkaar op zijn stoel. Een jonge Irakees komt met zijn leerboek Nederlands langs, een van de jongens die je haast nooit ziet omdat ze almaar aan het studeren zijn. Hij snapt een paar dingen niet. Wat is 'zin hebben in'? En wat betekent 'aanbranden'? En nu hij er toch is, wat is 'war' in het Nederlands, en 'exception', en 'drivers licence'?

Het moet allemaal op de schutbladen geschreven worden, tot ze een half uur later helemaal vol staan. De vrolijke gek verzucht: wat schrijf je mooi. Reza, de droevige gek, is in kleermakerszit tegenover ons op de grond komen zitten, en glimlacht zowaar.

De namen van de Iraniërs zijn gefingeerd.